OZB, weg er mee?

Dit jaar heffen de gemeenten in Nederland voor iets meer dan vijf miljard gulden aan eigen belastingen. De door de centrale overheid geheven omzetbelasting (de BTW) brengt elfmaal zo veel op. Toch roepen gemeentelijke belastingen veel meer wrevel bij de burgers op dan de BTW.

Verreweg de belangrijkste vanuit het gemeentehuis opgelegde aanslag is die in de onroerendezaakbelastingen (OZB). Zij zijn verschuldigd door huurders en eigenaren van woningen en van panden in zakelijk gebruik. Omdat alle eigenaren en vrijwel alle gebruikers van onroerende zaken bij naam en per adres bekend zijn, valt de heffing nauwelijks te ontduiken. De wet biedt burgers evenmin mogelijkheden om de aanslag langs legale weg eigenhandig omlaag te brengen. De heffingsgrondslag van de OZB – de verkoopwaarde van het huis – valt immers betrekkelijk eenvoudig vast te stellen. Wanneer de door de gemeenten om de vier jaar op pad gestuurde taxateurs hun werk een beetje prudent doen, kan de aangeslagene niet snel met succes bij de rechter in beroep gaan omdat de waarde van zijn huis te hoog is vastgesteld. Ligt de aanslag eenmaal op de deurmat, dan zit er niets anders op dan te betalen. En dat steekt.

De qua opbrengst veel gewichtiger omzetbelasting is daarentegen vrijwel onzichtbaar en valt – desgewenst – in bepaalde situaties vrij gemakkelijk te ontgaan. Bij het doen van de dagelijkse boodschappen valt de in de winkelprijs verstopte 6 of 17,5 procent BTW niet op. Bij grotere aankopen en reparaties aan het huis wordt de BTW in de regel wel afzonderlijk op de rekening vermeld. Maar de schilder of aannemer komt soms zélf al met de suggestie dat het ook wel zwart, zonder BTW en dus goedkoper kan.

De belastingbetalers in Nederland zou dus veel psychisch leed bespaard blijven wanneer de BTW-tarieven wat omhoog gingen en tegelijkertijd de onroerendezaakbelastingen werden afgeschaft. Bijkomend voordeel zou zijn dat gemeenten hun belastingapparaat flink kunnen afslanken. Dat levert een welkome bezuiniging op. Voor de overheidsfinanciën zou de operatie verder nauwelijks verschil maken. De BTW brengt in de nieuwe situatie jaarlijks pakweg vijf miljard gulden méér op en de rijksoverheid sluist dat geld bijvoorbeeld via de uitkering uit het Gemeentefonds door naar de gemeenten om te bereiken dat lagere overheden niet in de financiële problemen komen wanneer de OZB-opbrengsten wegvallen. Net zo verdwijnt volgend jaar de omroepbijdrage met een jaarlijkse opbrengst van ruim 1 miljard gulden. In plaats daarvan gaat iedereen wat meer inkomstenbelasting betalen. Het opruimen van zulke kleinere heffingen dient de eenvoud, het vergroot de doelmatigheid van de overheid en neemt in het verkeer tussen burger en overheid een steen des aanstoots weg. Dus: OZB, weg ermee?

Liever niet. Een belastinghervorming langs deze lijnen is van twijfelachtige waarde. Na de vervanging van de OZB door een hogere uitkering van de rijksoverheid verliezen gemeenteraden veel van hun vrijheid extra voorzieningen in het leven te roepen, waar de eigen inwoners dan ook meer belasting voor moeten betalen. Omgekeerd zijn er ook gemeenten waar de raadsleden gelegitimeerd door de kiezers streven naar sobere voorzieningen. Dat brengt tariefverlaging en dus lastenverlichting voor de eigen burgers binnen bereik. Vervanging van de OZB door een BTW-gefinancierde bijdrage uit 's Rijks schatkist betekent een aanslag op het recht van gemeenten hun eigen huishouding te organiseren (autonomie) en vormt een aderlating voor de plaatselijke democratie.

Naast dit principiële bezwaar kleeft aan de operatie een praktisch bezwaar. De door gemeenten geschatte waarde van woningen wordt ook als grondslag gebruikt door de waterschappen bij de omslag van hun kosten, en voor de vermogensbelasting. Vervalt de waardebepaling door gemeenten, dan zullen waterschappen en de Belastingdienst de waarde van alle huizen op een andere manier moeten bepalen. De bij gemeenten mogelijk geworden bezuiniging op het aantal belastingambtenaren valt dus voor een deel weg tegen hogere kosten als gevolg van de uitbreiding van het heffingsapparaat van andere bestuurslagen.

In Nederland tellen gebruikelijk ook de inkomenseffecten zwaar. Vooral bezitters van panden en duurdere eigen woningen gaan er na het verdwijnen van de OZB tot (vele) duizenden guldens op vooruit. De BTW-verhoging zal deze groep minder aan koopkracht kosten. Omgekeerd geven mensen met een laag inkomen hun hele inkomen uit en betalen zij juist weinig OZB.

Door binnen de belastingmix heffingen op vermogen (huizen) te verschuiven naar heffingen op consumptie gaat de groep met in verhouding lage inkomens er per saldo dus op achteruit.

Van de genoemde bezwaren weegt het eerste – het verlies van gemeentelijke autonomie – veruit het zwaarst. Er bestaan goede argumenten om het gemeentelijk belastinggebied juist uit te breiden onder gelijktijdige verlaging van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds. In de meeste andere lidstaten van de Europese Unie beschikken gemeenten over grotere fiscale autonomie. Nederland kan zich aan dit voorbeeld spiegelen. Meer fiscale autonomie brengt hoogstwaarschijnlijk toenemende verschillen in gemeentelijke voorzieningenniveaus mee. Dat zou geen ramp zijn. Een rijker geschakeerd voorzieningenaanbod betekent dat er voor veel burgers meer te kiezen valt.