`Natte dweil' aan de haak

,,Normale dosering: 10 druppels. Wedstrijddosering: 25 druppels.'' Dat meldt het etiket van een bruinig flesje met vanille-essence, dat het karperaas een onweerstaanbare aantrekkingskracht moet geven, gegarandeerd! Behalve een volslagen onbekendheid van de geurstofbrouwer met hengelen – vissen is altijd een wedstrijd, desnoods tegen jezelf – verraadt dit etiket tevens dé etiquette van de hedendaagse hengelaar. Net als andere takken van fysieke vrijetijdsbesteding, zoals wielrennen en lichaamsverfraaiing, kan ook de sportvisser niet meer zonder onsportieve hulpmiddelen.

Dat de hengelaar hiertoe zijn toevlucht zoekt, is hem niet volledig aan te rekenen. De visstand in Nederlandse binnenwateren is namelijk vervlakt tot een monotone populatie bodemwoelers: zonder aasdoping valt er geen leuke vis meer te vangen. Geschubde juwelen zoals snoeken en baarzen moeten tegenwoordig met een loep worden gezocht.

Negen op de tien vissen luistert naar de naam `brasem', onder sportvissers ook wel als `natte dweil' betiteld – een bijnaam die zowel refereert aan vechtlust als smaak. Een groeiend deel van het hengelgilde heeft het zelfs, precies zoals toneelspelers nooit de titel van Shakespeares `Macbeth' mogen uitspreken, over `de vis die niet genoemd mag worden'.

De `verbraseming,' zoals dit fenomeen bij waterschappen en milieu-organisaties heet, is te wijten aan te veel fosfaat in het water. Algen stemmen juichend in met een overmaat aan deze meststof. Ze vermenigvuldigen zich hierin enthousiast, totdat het zicht tot centimeters is beperkt. Doordat de brasem `blind' met zijn baarddraden de waterbodem afgraast op zoek naar muggenlarven en slakjes, gedijt dit slag vissen uitstekend in deze `erwtensoep'. Zogeheten `oogjagers' daarentegen, zoals de snoek, ontvluchten troebele wateren, terwijl juist zij, in een ideaal milieu althans, de verbraseming in toom houden.

Wat voor het zoete water geldt, is niet minder waar voor de zee. Stond een visdagje aan het strand twintig jaar geleden nog garant voor een maaltje platvis en kabeljauw, in 1999 betekent een etmaal aan de branding meestal uitsluitend irritatie over het verkopen van ,,nee'' aan te veel passanten die vragen of ,,schon Etwas zugeschnapt hat.''

In de strijd van de sportvisser tegen de versaaiing van de visstand is vanuit onverwachte hoek hulp onderweg. Vanuit Amerika is cyberfishing komen overwaaien. Dit virtueel hengelen is mogelijk dankzij een handzaam apparaatje dat het midden houdt tussen een rekenmachine en een kruimeldief. Met een échte werpbeweging kan een virtueel stuk kunstaas naar keuze worden uitgeworpen en met een molenslinger worden ingehaald. Een rilling van het handvat verraadt de aanbeet, waarna het landen van de vis kan beginnen.

Beleef, kortom, de kick van de aanslag in het veilige comfort van uw huiskamer. En geen geklieder meer met visslijm en wormen. De schaduwzijde van het cyberfishing is echter ook al gesignaleerd. In Amerika zijn de eerste gevallen van RSI gemeld door te langdurig virtueel hengelen – door vissers die hooked waren.