Lourdes

Graag wil ik reageren op de column van Geert Mak (Hoop) van 13 oktober 1999. Ik schrijf deze regels vanuit mijn luxe appartement, net een maand terug van een bedevaart naar Lourdes. Op het enorme plein voor de basiliek zag ik in de schemering tienduizenden mensen in het rond waaieren als lichtjes in de duisternis. Stuk voor stuk zoeken ze allemaal hun plaats en met veel respect voor de mensen die geholpen moeten worden vormt zich langzaam een rij. Niemand heeft haast, iedereen heeft tijd voor elkaar en zorgt voor elkaar. De stoet begint vorm te krijgen: duizenden, duizenden mensen in rolstoelen worden geholpen door even zovele vrijwilligers. Vrijwilligers, uit vele sociale lagen van onze samenleving, zoals directeuren van kleine en grote bedrijven, wethouders, vrachtwagenchauffeurs, huisvrouwen, studenten die hun vrije dagen opofferen om deze mensen te kunnen helpen, om deze mensen te mogen helpen. Ik heb nog nooit zoveel zieken en hulpbehoevenden bij elkaar gezien en ik ben ook nog nooit op een plek geweest waar je deelgenoot wordt gemaakt van zoveel liefde, vriendschap, warmte en geluk.

In onze groep bedevaartgangers, ruim 1.600 mensen, heb ik alleen maar normale doorsnee mensen ontmoet, en niet de door Geert Mak beschreven verschoppelingen. Ook ik heb meegelopen met de processie, gezwaaid met kaarsen en meegezongen met de Marialiederen. Aan het eind heb ik ook gehuild, maar het waren tranen van pure blijdschap dat ik dit gevoel heb mee mogen maken. Ik ben blij dat Geert Mak de in zijn ogen `armen' met zijn column niet zal kunnen kwetsen. Zij hebben namelijk geen geld om NRC Handelsblad te lezen.