Japanner moet Augiasstal van de UNESCO schoonvegen

De gisteren gekozen nieuwe directeur-generaal van de UNESCO, de Japanse diplomaat Matsuura, krijgt een zware taak: bestrijding van vriendjespolitiek en slecht management bij de VN-organisatie.

,,Ik verwerp de term nepotisme.'' Op die manier schoot eerder deze week een woordvoerder van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken de in het nauw gedreven UNESCO te hulp. Het klonk een beetje naar Nixons ,,I'm not a crook''.

Want de bewijzen dat de in Parijs gevestigde United Nations Educational Scientific and Cultural Organisation zich wél schuldig maakt aan nepotisme, en nog een paar dingen meer, stapelen zich op. Van de vandaag gekozen nieuwe directeur-generaal, de Japanse diplomaat Koichiro Matsuura, wordt dan ook verwacht dat hij zich niet meer gedraagt als Augias' stalmeester, zoals scheidend directeur-generaal Federico Mayor deed. ,,Als de berichten over misstanden waar zijn, moeten ze worden rechtgezet'', zei Matsuura vanmorgen in zijn eerste interview als nieuwe UNESCO-chef.

Afgelopen maandag, niet toevallig aan de vooravond van de verkiezingsprocedure, lekten enkele documenten uit naar de Britse krant The Guardian. Die lieten op schrift zien wat al eerder vermoed en gefluisterd werd: dat de UNESCO een soort giftig mengsel is van het IOC en de bureaucratie van de Europese Commissie. De krant beschreef een memo van een medewerker van Mayor aan zijn baas. Daarin werd Mayor gewezen op twee interventies van leden van het Franse kabinet om voormalige Franse presidentiële medewerkers een mooie baan binnen het secretariaat van de UNESCO te bezorgen.

Ook berichtte de krant over een intern onderzoek (audit) op verzoek van de Canadese regering. Dat bevatte zware kritiek op de manier waarop benoemingen in het apparaat tot stand kwamen. Veertig procent daarvan voldeed niet aan de eigen criteria van `fair competition'. Vrienden, bekenden, maîtresses zelfs, ze mochten allemaal mee-eten uit de grote UNESCO-ruif.

Ondanks chronisch geldgebrek blijkt de organisatie over een groot aantal directeuren te beschikken: ongeveer 130 op een totaal van 1.800 medewerkers van het secretariaat. Met een verhouding van ongeveer 1:13 was de verhouding tussen generaals en soldaten volledig zoek. Mayor zelf bleek tijdens één zomervakantie 36 directeuren tegelijk benoemd te hebben. Daarmee kregen deze mensen automatisch recht op een riante pensioenvoorziening, voor een vergrijzend apparaat meer dan een aantrekkelijke bijkomstigheid. Bovendien ontbreken bij de UNESCO degelijke interne rapportages over wat er met het geld voor de talloze cultuur- en vredebevorderende projecten gebeurt.

Vorige maand stuurde minister Herfkens een evaluatienota naar de Tweede Kamer over het ontwikkelingsbeleid van VN-organisaties. Veel van de kritiek op de UNESCO keerde daarin terug. Herfkens noemde de instelling een ,,weinig aantrekkelijke partner voor samenwerking'' en stelde in bedekte termen de vrijwillige bijdrage van 12,4 miljoen dollar per jaar ter discussie.

De gesignaleerde problemen zijn niet nieuw. Al sinds de dagen van de Senegalese directeur-generaal M'Bow, wordt de organisatie geconfronteerd met beschuldigingen van geldverspilling en vriendjespolitiek. Die waren in het midden van de jaren tachtig zelfs reden voor de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk om zich uit de VN-organisatie terug te trekken. Laatstgenoemd land is overigens teruggekeerd als lid. De terugtrekking van twee belangrijke donoren uit de organisatie met 187 landen verergerden de problemen. Jaarlijks kan de organisatie nu ongeveer 500 miljoen uitgeven. Het gevolg was dat veel projecten niet meer door de centrale organisatie gefinancierd werden, maar van lokale sponsors afhankelijk werden. Dat bevorderde de controle niet.

Bovendien kampte de UNESCO met een identiteitscrisis. Terwijl andere UN- organisaties zoals de UNHCR (vluchtelingen) door allerlei humanitaire crises steeds bekender werden, is de UNESCO weggezakt in de anonimiteit. Opgericht om werelderfgoed te beschermen – de Grote Markt in Brussel, boeddhistische tempels in Japan, het Wouda-stoomgemaal te Lemmer – had de organisatie een bewustwordingstaak gekregen die slecht paste in het nieuwe, no-nonsenseachtige klimaat van de jaren tachtig en negentig. Matsuura zei gisteren te hopen dat de revolutie in informatie- en communicatiemiddelen zijn organisatie een nieuwe missie kan schenken.

Of de Japanner het gezag heeft dit voornemen uit te voeren en het UNESCO-management te hervormen, is twijfelachtig. Tenminste, als de manier waarop hij is gekozen daarvoor enig aanknopingspunt biedt. Het lijkt er namelijk sterk op dat zijn land zijn voorzitterschap heeft gekocht. Japan is één van de grootste contribuanten van de organisatie; het heeft gedreigd zijn bijdrage te verminderen als Matsuura niet zou worden gekozen. Dat dreigement bleek echter nog niet genoeg: bij de eerste twee stemmingsrondes op maandag en dinsdag viel het resultaat tegen. Er moest een persoonlijke interventie van premier Obuchi bij onder anderen de Duitse bondskanselier Schröder aan te pas komen om de meerderheid voor Matsuura zeker te stellen. Obuchi is een oude schoolvriend van Matsuura.