Jachtwet

De huidige Jachtwet onderscheidt vier wildsoorten die elk verschillende diersoorten omvatten. De jachtperiode kan per diersoort verschillen. De jacht is altijd verboden op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, tweede pinksterdag, Hemelvaartsdag en de beide kerstdagen. De soorten in de categorie `Andere dieren' mogen wel worden gedood, maar worden niet aangemerkt als een te bejagen wildsoort in de zin van de Jachtwet.

ANDERE DIEREN

Een aantal dieren mag het gehele jaar door worden gevangen en gedood. Dit is echter geen jagen in de zin van de Jachtwet. Het gaat om de verwilderde nerts, beverrat, wasbeer, nijlgans, muskusrat, marterhond, rosse stekelstaart, Siberische grondeekhoorn, bruine rat, woelrat en de mol.

Er wordt bij deze soorten in de Jachtwet niet over wild gesproken maar over ,,niet tot de inheemse flora behorende dieren (–) welke ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, dan wel ter bescherming van flora en fauna dan wel in het belang van de volksgezondheid kunnen worden beperkt''.

De bruine rat is waarschijnlijk de meest voorkomende en schadelijkste onder de soorten. De soort is voornamelijk 's nachts actief en leeft in de buurt van mensen. Per jaar kan een wijfje ongeveer twintig jongen krijgen.

De bruime rat wordt als schadelijk gezien voor mens en dier. De ratten zijn een predator van vele (ook grotere) diersoorten en zorgen met hun geknaag aan bijvoorbeeld bedrading voor de nodige schade. Daarnaast draagt de soort ziektes die zowel door mens als dier kunnen worden overgenomen. De bruine rat wordt onder meer bestreden door het inzetten van bunzings.

De muskusrat veroorzaakt schade doordat hij onder meer (cultuur)gewassen aan de waterkant eet. Muskusratten worden in grote mate bestreden. Ook fuiken en klemmen worden hierbij gebruikt. Ook mollen richten (landbouw)schade aan en mogen daarom worden gedood.

OVERIG WILD

Konijn, houtduif, kauw, Vlaamse gaai, ekster, vos, verwilderde kat en de zwarte kraai behoren tot het `overig wild', zoals dat in de Jachwet omschreven staat. Op de Vlaamse gaai na (15 juli tot en met 30 april) zijn deze soorten het gehele jaar bejaagbaar. Ook bonte kraaien, roeken, bunzings, hermelijnen, wezels en boom- en steenmarters behoren tot het overige wild. De jacht op deze soorten is gesloten.

De (wilde) konijnen kunnen in groten getale voorkomen en worden af en toe flink bejaagd. Dit gebeurt meestal in de winter. Ook fretten worden soms ingeschakeld voor de konijnenjacht. De houtduif is een zogenoemde `cultuurvolger' en is te vinden in de nabijheid van mensen. De soort is vooral overdag actief. Houtduiven kunnen vliegend een snelheid bereiken van zeventig kilometer per uur.

De kraaiachtigen onder het overig wild – zwarte kraai, kauw, ekster en Vlaamse gaai – mogen worden bejaagd, omdat deze soorten de nodige schade berokkenen aan landbouwgewassen. Maïs en graan zijn bijvoorbeeld geliefd bij de zwarte kraai en kauw. Tevens gelden de kraaisoorten soms als predatoren voor andere diersoorten. Met name jonge hazen en (de nesten van) vogels zijn geliefd onder zwarte kraai en ekster.

Onder een verwilderde kat wordt de soort verstaan die zich (bijna) geheel in de vrije natuur ophoudt en zich daar ook voedt (voornamelijk met muizen).

De vos kent in Nederland geen natuurlijke predatoren en is een veelzijdig eter: behalve veel muizen ook insecten, fruit en andere zoogdieren. Mede doordat de vos een nachtdier is, is de soort moeilijk te bejagen.

GROF WILD

Tot grof wild worden in de Jachtwet de volgende soorten gerekend: edelherten, reeën, damherten, moeflons en wilde zwijnen. De jacht op al deze soorten is gesloten. Alleen op vergunning mag een soort worden bejaagd.

Deze vergunning moet worden aangevraagd bij Gedeputeerde Staten van de provincie. In de vergunning staat omschreven welke soort mag worden bejaagd, in welk aantal en gedurende welke periode. Als een vergunning wordt verstrekt, wordt er gejaagd met kogels in plaats van hagel zoals bij de andere wildsoorten.

Het edelhert wordt tot het zogenoemde roodwild gerekend en is voornamelijk te vinden op de Veluwe. Afschotvergunningen hangen samen met de voorjaarsstand van de soort. Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gaat uit van een maximale stand van ongeveer 800 stuks. De afschotperiodes voor edelherten zijn doorgaans tussen 1 september tot en met 28 februari voor geweidragers en tot 15 maart voor de vrouwelijke edelherten (hindes) en kalveren. Damherten komen in Nederland minder voor; afschotvergunningen worden per geval bekeken.

De reeënstand is in Nederland tamelijk gezond. Er zijn drie redenen om een afschotvergunning te verlenen: een te hoge reestand veroorzaakt ziekten onder de soort, de toegebrachte landbouwschade en het streven naar een gelijke verhouding mannelijke en vrouwelijke reeën.

Moeflons worden, gezien de slechte stand, niet veel meer bejaagd in Nederland en vergunningen worden per geval bekeken. Het wild zwijn, te vinden in de Veluwe en de grensstreek, kent een gezonde stand. Ook bij deze soort is er een gewenste voorjaarsstand: maximaal 600 stuks. Om een wild zwijn te mogen bejagen is een zwartwildbrevet nodig, een bewijs van schietvaardigheid.

KLEIN WILD

Tot het klein wild worden in de Nederlandse Jachtwet hazen, fazanten, korhoenders, patrijzen en houtsnippen gerekend. Drie soorten zijn nog steeds bejaagbaar: haas, fazant en patrijs.

De fazant is een veelvoorkomende hoendersoort in Nederland en is vooral te vinden in een vochtige omgeving waar tevens de nodige dekking te vinden is. Het diersoort leeft in groepen en is voornamelijk overdag actief. De fazant slaapt 's nachts bij voorkeur in bomen of struiken. Hoewel het een loopvogel is, kan de fazant vliegend snelheden bereiken tot 95 kilometer per uur. De jacht op fazanten kent twee openingstijden. Op de haan mag tussen 15 oktober tot en met 31 januari worden gejaagd; de jacht op de hen sluit een maand eerder, op 31 december. Voor beide geslachten geldt dat alleen tussen zonsopgang en zonsondergang mag worden gejaagd.

De haas komt in heel Nederland voor, veelal in bewoond agrarisch gebied. De soort is herkenbaar aan de lange oren, stevige achterpoten en de amberkleurige ogen. De kleur en het gewicht van het dier worden mede bepaald door zijn woongebied. Zowel het mannetje (de rammelaar) als de vrouwelijke haas (de moer) mogen 15 oktober tot en met 31 december van zonsopgang tot zonsondergang worden bejaagd.

Wegens het lage aantal patrijzen is de jacht op deze soort tijdelijk gesloten. De hoendersoort is vooral te vinden in akkerbouwgebieden. Hoewel ook in de nieuwe Flora- en Faunawet de soort bejaagbaar blijft, is nog niet duidelijk wanneer de jacht daadwerkelijk weer wordt geopend.

WATERWILD

Nederland kent een ruime aanwezigheid van watervogels. Slechts één soort wordt volgens de Jachtwet gerekend tot het waterwild: de wilde eend. Tot 11 september jongstleden waren ook de meerkoet, de smient en de kol-, riet-, en grauwe gans bejaagbaar. Staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft deze jacht per die datum gesloten. Ook volgens de nieuw in werking te treden Flora- en Faunawet zullen deze soorten niet bejaagbaar zijn.

De wilde eend is slechts een van de vele eendensoorten die in Nederland voorkomen. De soort behoort – net als de slobeend, smient, krakeend, zomer- en wintertaling – tot de zwemeenden. Een kenmerk is dat zij hun voedsel verzamelen door met de snavel over de waterbodem te gaan.

De mannelijke wilde eend, de woerd, kenmerkt zich door de glanzende groene kop en het grijze en bruine lijf. Het wijfje, het eendje genaamd, is voornamelijk bruinkleurig. De vogel is te vinden in grote delen van Europa. In Nederland zijn het gehele jaar eenden te vinden maar vooral in de winter stijgt hun aantal: tussen de half en één miljoen overwinteren hier. Wilde eenden zijn voornamelijk te vinden in waterrijke gebieden.

Behalve de zwemeenden kent Nederland ook verschillende soorten duikeenden, zee-eenden, zaagbekken en bergeenden. Net als ganzen en alle andere in Nederland voorkomende watervogels mogen deze niet worden bejaagd. De wilde eend is bejaagbaar van 15 augustus tot en met 31 januari. Tot 1 september mogen de dieren worden bejaagd van één uur voor zonsopgang tot één uur na zonsondergang. Na deze datum verandert dit in een halfuur.