Engelen

Dikke nevels bedekken het kruis boven de Valle de los Caídos, de ene bui na de andere klettert over het enorme voorplein. Franco ligt hier als een farao begraven, nog steeds wordt hier iedere ochtend een mis gelezen, en de bezoekers lopen af en aan.

Aan het graf kent men het karakter. Ik dwaal door een basiliek als een metrostation – maar dan vijfmaal zo groot. Het uithouwen in de rotsen kostte 14 mensenlevens, `strafdetachementen' en `werkbataljons' van Republikeinse gevangenen waren er 20 jaar mee bezig, de resten van hun barakken liggen nog verstopt in het bos. Terwijl Spanje stierf van de honger werd dit grafproject Franco's grootste obsessie.

Ik denk aan het dorpskerkhof van De Gaulle, aan diens grote bewondering voor Franco's techniek om eindeloos aan de macht te blijven, maar ook aan wat de Spaanse diplomaat De Madariaga ooit schreef: `Het belangrijkste voor De Gaulle is, uiteindelijk, Frankrijk. Het belangrijkste voor Franco is Franco.'

Let eens op de fraaie afwerking: de lampen in de vorm van scherp geslepen zwaarden, de bloedige crucifixen, het lichaam op het altaar van de gevallenen, de eindeloze lege stenen vlakte voor het altaar, de wrede engelengezichten. En dan de grafzerken, Franco en zijn aartsrivaal José Antonio Primo de Rivera, wat hadden die twee de pest aan elkaar, nu voor eeuwig voet aan voet. Dit monument dampt van haat, in dit dal is verzoening nimmer mogelijk.

En toch: bij de uitgang wordt gelachen, de souvenirstal verkoopt enkel nog boekjes over het koningshuis, de granieten schijnwereld blijkt als een zeepbel opgelost.