De kwaliteit van de rechtspraak is in gevaar

Een rechtbank mag niet worden afgerekend op de hoeveelheid verzet werk, omdat dit de kwaliteit van de rechtspraak schaadt, meent H.G. Hermans.

In het rapport van de commissie Meijerink wordt geadviseerd rechters voortaan af te rekenen op de hoeveelheid verzet werk. Handelt een rechtbank veertigduizend zaken af, dan heeft deze tweemaal zoveel rechters nodig als een rechtbank die er twintigduizend afmaakt. Een zelfs voor niet-rekenkundig geschoolde juristen onweerlegbare conclusie. Zoals alles wat tegenwoordig vanuit de landelijke politiek en haar adviseurs aan rechters wordt voorgelegd, is ook dit advies met gedempt gejuich begroet door de magistratuur. De kritische ondertoon moest van anderen komen. Advocaten vrezen voor verlies aan kwaliteit en NRC Handelsblad waarschuwde op 17 augustus jl. voor de politiek, die haar eigen (budgettaire) lijnen trekt, ondanks op ernstige toon beleden ontzag voor de kwaliteit van het rechterswerk. Is er dan vrees voor verlies aan kwaliteit? Ja. Sterker nog, die vrees is allang werkelijkheid.

Een lange rij ministeriële circulaires is sinds de jaren twintig door opeenvolgende ministers van Justitie gericht aan de officieren van justitie. Daarin werd er nog eens nadrukkelijk op gewezen, dat de (bij wijze van bezuiniging) ingevoerde rechtspraak door enkelvoudige strafrechters – de zogeheten politierechters – alleen bedoeld was voor zeer simpele strafzaken. In een tijd dat voor het stelen van een fiets één jaar gevangenisstraf werd gegeven sprak een strafmaximum van zes maanden natuurlijk voor zichzelf. Inmiddels denkt men erover de maximumstraf op te rekken tot één jaar. Men moet nu als verdachte `van goeden huize' komen om voor een behandeling door de meervoudige kamer in aanmerking te komen. Die kwaliteitsbehandeling is te duur geworden.

Een opleiding tot strafrechter begon altijd als jongste rechter in een strafkamer. Tegenwoordig moeten jonge rechters zonder die degelijke opleiding veelal direct enkelvoudige strafzittingen doen of als (plaatsvervangend) rechter-commissaris zeer ingrijpende beslissingen nemen. Een college van drie rechters hakte nog niet zo lang geleden in lastige zaken de knoop door. Nu is dat er nog maar één.

Ook in de overige civiele zaken op tegenspraak werden van oudsher door een college van drie rechters beslist. Alleen de president van de rechtbank deed de spoedeisende voorlopige voorzieningen in kort geding. Bij de behandeling van deze zaken is de meervoudige kamer in hoog tempo een fossiel geworden. Vrijwel alles wordt door alleensprekende rechters berecht.

Dit is erg, omdat een rechter bij al zijn beslissingen gestuurd wordt niet alleen door juridische redeneringen, doch ook, en soms zelfs in sterke mate, afhankelijk van het type zaak, door zijn eigen aanleg, sociale achtergrond, opvoeding en levenservaring. Dat is een onmisbare factor. Een rechter die er niet over beschikt is een computer. Elke juridische redenering bevat op enig punt een `redelijkheidstoets' en die wordt door iedereen (net) anders ingevuld. Door drie rechters tezamen de beslissing te laten nemen probeer je een goed gemiddelde te krijgen. Ook kun je op deze manier de op een rechtbank aanwezige ervaring over een aantal combinaties van drie rechters verdelen.

Besturen van rechtbanken hebben de afgelopen jaren de noodzaak gevoeld het instituut van meervoudige rechtspraak (vrijwel) geheel te doen verdwijnen (de gerechtshoven hebben die boot weten af te houden en de Hoge Raad doet soms zaken af met drie in plaats van vijf raadsheren). Als normen worden opgesteld voor aantallen zaken van een bepaald gewicht, dan wordt bij de rechtbanken het resultaat van de jarenlange achteruitgang geconsolideerd en als norm gehanteerd voor de rechters van de toekomst.

Een rechtbank is als eerste aanlegrechter een merkwaardig fenomeen. Het is tevens een opleidingsinstituut, waar naast het gewone werk de RAIO en de jonge rechter gevormd en verder ontwikkeld wordt. Maar voor een goede opleiding moet ruimte, geld en voldoende gekwalificeerde menskracht zijn. Dat ontbreekt de laatste tijd steeds meer. En daarbij mag het belang van de rechtszoekende niet in de verdrukking raken. Hij heeft recht op kwaliteit en aandacht. Dat betekent niet dat hij in alle gevallen gebaat is met een zo snel mogelijke uitspraak. Een zaak moet in de eerste aanleg goed geïnstrueerd worden en een vonnis overtuigend gemotiveerd, maar daar hangt een prijskaartje aan. De productie-eisen moeten daaraan ondergeschikt zijn. De rechtszoekende heeft weinig aan de gedachte dat er nog een tweede feitelijke instantie bestaat. Dat kost hem alleen geld en frustratie, of hij legt het hoofd in de schoot. Ook moeten jonge rechters leren in collegiaal verband recht te spreken en elkaars concepten beoordelen door mee te lezen en vooral mee te wijzen. Te jonge en onervaren rechters, zelf deels nog in opleiding, worden thans enkelvoudig losgelaten. Die achterstand in ervaring halen ze nauwelijks in.

Er bestaan cursussen in het beïnvloeden van rechters door analyse van hun persoonlijk beslissingsprofiel. Stagiaires op advocatenkantoren krijgen er opleidingspunten voor.

De rechterlijke macht maakt roerige tijden door. Rapporteurs struikelen over elkaar heen om te vertellen wat er allemaal moet veranderen. De Nederlandse gerechten hebben echter nog steeds, ook internationaal, een reputatie op te houden van `klein maar uitstekend'. Ook trekken ze nog steeds enthousiaste jonge juristen aan die niet kiezen voor het grote geld en bereid zijn tegen een salaris op polderniveau hard te werken en zich verder te bekwamen. Maar voordat het afgekloven bot dat van de kwaliteitsbeheersing door meervoudige rechtspraak bij de rechtbanken is overgebleven, als norm wordt gebruikt om die toekomstige rechters op hun hoeveelheden werk af te rekenen, moet eerst worden afgerekend met het verleden.

Mr. H.G. Hermans is vice-president van het gerechtshof te Amsterdam.