Sterfbed

In het El Pardo-paleis zullen we alles zien, ook Franco's roodmarmeren badkamer, ook zijn bad, ook zijn kleine, witte toiletpot. Ik denk alleen maar: hier begon het dus, dat ongeëvenaarde theater van medische techniek, dat sterfbed van de grote man.

Op 1 oktober 1975 sprak hij voor het laatst de menigte toe, moeizaam ademend. Twee weken later – ik volg nu zijn biograaf Paul Preston – kreeg hij de eerste hartaanval, daarna meer. Op 24 oktober kwamen er maagbloedingen. De radio begon met treurmuziek. Longontsteking, nieuwe inwendige bloedingen. In een EHBO-post werd een noodoperatie verricht, een spoor van bloed liep door het paleis. Nierproblemen. In sommige kranten verschenen nu dagelijks plattegronden van Franco's lichaam, met pijltjes bij alle getroffen organen. Op 5 november werd tweederde van de maag verwijderd. Daarna werd hij aan allerlei levensverlengende machines gelegd, vermoedelijk enkel om de herbenoeming nog te garanderen van zijn vazal Rodriguez Valcáral tot voorzitter van de Cortes. De pers bood goud voor foto's van de stervende dictator, de artsen weigerden woedend, maar zijn schoonzoon kiekte er lustig op los. Franco zelf kon enkel zo nu en dan nog fluisteren `hoe moeilijk het is om te sterven'. Opnieuw een bloeding, opnieuw een operatie. Pas op 20 november liet de paleiskliek hem in vrede gaan.

`De champagnekurken vlogen door de herfstlucht', schreef Manuel Vazquez Montalbán in Barcelona, `maar niemand hoorde enig geluid. Barcelona was, per slot, een stad die goede manieren had geleerd. Zwijgend, zowel in vreugde als in droefheid.'