Rabobank laat dochters voor zich werken

De Rabobank gaat voor het eerst aandelen plaatsen. Nee, de coöperatieve bank gaat niet naar de effectenbeurs. De financieel sterkste particuliere bank ter wereld moet van de nood een deugd maken om haar expansie te financieren.

Hij is niet te benijden, de bankier zonder geld achter de hand. Wat moet een bank zonder kapitaalkrachtige eigenaren in de maalstroom van fusies en overnames? De mogelijkheden zijn beperkt. De zaak verkopen, zoals de gemeentelijke eigenaren van Bouwfonds Nederlandse Gemeenten gaan doen? ABN Amro biedt 2,7 miljard gulden.

Of zelf naar de effectenbeurs gaan, zoals talloze Britse en Amerikaanse financiële coöperaties? Wie een beursnotering heeft kan worden overgenomen of zelf op overnamepad gaan en de aankoop afrekenen door eigen aandelen te plaatsen. Daarom ging de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs, de laatste besloten partnership aan Wall Street, deze zomer open voor andere beleggers.

Maar wat moet een bank als de Rabobank die niet naar de effectenbeurs wil, maar ook niet overgenomen wil worden? Zij kan niet terecht bij haar 565.000 leden. Zij moet van de nood een deugd maken. Heeft zij aantrekkelijke dochterbedrijven die zij kan combineren met gelijkgestemden, zodat de beoogde internationale expansie en schaalvergroting met gesloten beurzen gerealiseerd kan worden? Of zijn er constructies om toch kapitaal aan te trekken bij beleggers, zonder dat de coöperatieve structuur geweld wordt aangedaan?

In de Europese fusiegolf worden de bedragen steeds groter. De Belgische bank BBL kostte ING 9 miljard gulden, terwijl de Generale Bank van het Fortis-concern 26 miljard gulden vergde. Daarmee vergeleken is de Rabobank een financiële dreumes. In haar recente beleidsplan constateert de bank zelf dat zij, bij gelijkblijvende interne financiële verhoudingen, slechts een investeringsruimte van maximaal 1 miljard euro (2,2 miljard gulden) kan behalen.

Het is de paradox van de Rabobank. Zij is met een eigen kapitaal van bijna 23 miljard gulden de enige particuliere bank die nog het hoogste rapportcijfer voor kredietwaarigheid heeft van de drie toonaangevende bureaus die banken en bedrijven doorlichten. Tegelijkertijd staat zij in de Europese overnamerace met bijna lege zakken.

Hoe voorkomt de Rabobank een langzame marginalisatie als bank achter de dijken? Optie nummer één heet `desinvesteringen van bedrijfsonderdelen'. De zojuist aangetreden Rabo-topman Smits maakte er eerder dit jaar geen geheim van dat hij de Rabodochters best wil delen. ,,Waarom niet?'', vroeg hij zich quasi-verbaasd af. Wat is er vreemd aan om een dochter deels te vervreemden of naar de beurs te brengen?, wilde hij weten.

Vreemd is het misschien niet, verrassend wel. Want Smits' voorganger Wijffels, sinds 1986 aan het roer, heeft dergelijke plannen nooit in de openbaarheid genoemd.

Smits voert zij nu ook direct uit. De samenwerkingsplannen met de Duitse `zustercoöperatie' DG Bank, die hij vorige week lanceerde, zijn een typerend voorbeeld van de nieuwe `open-deurpolitiek'. De zakenbankactiviteiten van Rabo International worden samengevoegd met die van DG Bank. Beide moeders bezitten 50 procent van de nieuwe onderneming.

Dat is nog maar het begin. Rabo en DG willen er graag partners bij. En er zijn nog meer aantrekkelijke en waardevolle bezittingen van de Rabobank die vergelijkbare combinaties kunnen aangaan, zoals vermogensbeheerder Robeco en verzekeraar Interpolis.

Robeco beschikt over een beheerd vermogen van ruim 200 miljard gulden. Gemiddelde overnameprijs in deze branche ligt op 2 à 3 procent van dat beheerde vermogen, waardoor de waarde van Robeco zeker op 5 miljard gulden uitkomt. Van volledige verkoop zal overigens nooit sprake zijn: samen met DG Bank heeft Rabobank bepaald dat minimaal 50 procent van de gezamenlijke activiteiten in coöperatieve handen moet blijven.

Een vergelijkbare rekensom kan met verzekeringsdochter Interpolis worden gemaakt. Het Tilburgse bedrijf behaalde vorig jaar 254 miljoen gulden nettowinst. Beursgenoteerde collega's zijn gemiddeld zo'n 15 maal de winst waard, zodat Interpolis een geschatte waarde heeft van bijna 4 miljard gulden. En dan zijn er nog dochters als Gilde (participaties in bedrijven) en leasebedrijf De Lage Landen, die als `ruilmiddel' bij joint-ventures kunnen fungeren.

Optie twee is beleggers aantrekken zonder dat zij zeggenschap krijgen of recht op de winst. Gisteren meldde de bank dat zij voor het eerst aandelen uitgeeft: ruim 500 miljoen gulden, waarop de belegger een vast rendement krijgt. Het begin van een oorlogskas?

Optie drie is winstverhoging. Dat lijkt vooral theorie. Extra winst komt uit expansie en daar zit het knelpunt: hoe komt de bank aan het benodigde kapitaal?