Paarse lava

NEDERLAND LEEFT op een vulkaan, zo stelt premier Kok vast in het jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting. In ons deel van de wereld – de Verenigde Staten inbegrepen – is volgens de premier een luchtbel in de aandelen- en onroerendgoedprijzen ontstaan die, als zij knapt, grote schokken kan veroorzaken. Als het vertrouwen wegvalt, kan de speculatiewinst omslaan in verlies, met alle sneeuwbaleffecten die daardoor ontstaan. Wie naar de beurskoersen in het Westen kijkt en niet heilig gelooft in alle zegeningen van de Nieuwe Economie, moet de premier gelijk geven. Bij de gestegen rentes op de kapitaalmarkt zien de aandelenmarkten er overgewaardeerd uit, ook nu ze sinds de zomer met een procent of tien zijn gecorrigeerd.

Maar Koks observatie dat `ons deel van de wereld' ook kampt met een luchtbel in de onroerendgoedprijzen is niet juist. Die zijn een typisch Nederlands fenomeen. In geen ander Europees land, Ierland uitgezonderd, zijn de woningprijzen zo spectaculair gestegen. Sterker nog: in landen als Duitsland of Frankrijk heeft zich al jaren nauwelijks een prijsstijging voorgedaan.

Omdat er vele malen meer kapitaal van burgers vastligt in huizen dan in aandelen, is de vulkaan van de woningprijzen veel gevaarlijker dan die van de aandelenmarkten. De vraag is: waarin verschilt Nederland van de rest? Dat de vraag naar woningen groter is dan het aanbod is juist, maar dat is een kwalitatief probleem. Huizen zijn er genoeg, het zijn alleen vaak niet de huizen die de burger tegenwoordig wil. Dat de prijzen zó explosief hebben kunnen stijgen heeft te maken met de financierbaarheid van steeds hogere hypotheken.

DAT ER EEN ware explosie van hypotheken heeft kunnen plaatshebben heeft alles te maken met het gevoerde economische beleid. De Nederlandsche Bank heeft, deels noodgedwongen door de aanstormende euro, deels door eigen keuzes, de kredietverlening zeer fors laten toenemen. Waar de Bank haar handen gebonden zag, had de overheid moeten ingrijpen door een restrictief begrotingsbeleid te voeren. Onder de economische omstandigheden waaronder Paars sinds 1994 heeft mogen opereren, had al drie jaar geleden een overschot moeten ontstaan op de begroting. In plaats daarvan hebben de kabinetten-Kok de economie verder opgejaagd met lagere lasten, en zijn politieke keuzes om de broekriem aan te halen vermeden. Pas volgend jaar kan minister Zalm een overschot laten zien.

Intussen hebben de op krediet gestegen huizenprijzen de consumptieve bestedingen jarenlang bevorderd, en is de Nederlandse economie in een prettige opwaartse spiraal terechtgekomen. Deze feel good-factor heeft onmiskenbaar bijgedragen aan het mandaat dat de kiezer vorig jaar aan Paars heeft gegeven voor een tweede regeerperiode.

Een negatieve spiraal van dalende huizenprijzen, wegebbend vertrouwen en burgers die hun bestedingen inperken om hun kredieten weg te werken, is de keerzijde. Dat Kok daarvoor waarschuwt is terecht. Maar evenals bankpresident Wellink moet hij zijn eigen verantwoordelijkheid voor het monetaire en economische beleid niet uit de weg gaan.