Overheid moet wennen aan taxatie tafelzilver

Twaalf gemeenten hebben op de valreep een eigen adviseur ingehuurd om het miljardenbod van ABN Amro op `hun' Bouwfonds te beoordelen. Hoe verkoopt de publieke sector zijn tafelzilver? Schoorvoetend en beleefd.

Een uniek bedrijf uit de publieke sfeer is al bijna verkocht, of de huidige eigenaren beginnen te twijfelen. Hebben zij het wel slim aangepakt? Een groep van twaalf gemeenten, samen goed voor ongeveer 15 procent van de aandelen, heeft zakelijk adviseur PriceWaterhouseCoopers in de arm genomen om te horen of het bod van ABN Amro ter waarde van 2,7 miljard gulden op Bouwfonds Nederlandse Gemeenten wel acceptabel is. Bouwfonds (31 miljard gulden balanstotaal, ruim 1200 werknemers) is nu het exclusieve bezit van 479 gemeenten.

Afgelopen vrijdag legde ABN Amro het al eerder geïndiceerde bod officieel op tafel. De aandeelhouders die op de valreep de adviseur in de arm hebben genomen manoeuvreren omzichtig. Nee, ze wilden geen agressieve Angelsaksische zakenbank die een hoger bod zou willen entameren. De gemeenten lijken zich bij voorbaat te willen verdedigen tegen kritiek dat zij niet vertrouwen op het oordeel van directie en commissarissen, onder wie drie burgemeesters. Die steunen het bod, dat volgens hen ook in het belang van de aandeelhouders is.

Het schoorvoetend inschakelen van een eigen adviseur typeert het moeilijk wennen van aandeelhouders uit de publieke sector met hun rol als verkopers van hun tafelzilver. Bij de recente veilingen van de elektriciteitsproductiebedrijven UNA en EZH zagen de gemeentelijke en provinciale aandeelhouders af van eigen adviseurs. Zij delegeerden de onderhandelingen met de aspirantkopers aan de directie. Na afloop blijft de vraag in de lucht hangen: hadden de aandeelhouders met een eigen, actief betrokken adviseur niet meer geld uit de verkoop kunnen slepen?

Bij de verkoop van het meerderheidsbelang in de Nationale Investeringsbank (NIB) had de overheid eerder dit jaar wel een eigen financieel adviseur. Toch viel haar een onverwacht extraatje in de schoot toen de financiële wereld onder leiding van ING twee keer een hoger bod afdwong.

Bij de verkoop van beursgenoteerde bedrijven is het normaal dat de directie aan alle touwtjes trekt. De aandeelhouders zijn een verspreid gezelschap van soms honderdduizenden beleggers, die moeilijk een vuist kunnen maken en sowieso een enorme informatieachterstand hebben op de directie. Zij moeten er maar op vertrouwen dat de directie die de belangen moet behartigen van de onderneming, inclusief werknemers, en die bovendien eigen belangen heeft (hun toekomstige werkkring, bijvoorbeeld) de optimale uitkomst zal bereiken.

Bij een beperkt aantal aandeelhouders, zoals in het geval van Bouwfonds, kunnen zij zichzelf sterker profileren om de beste financiële uitkomst te forceren. Zij kunnen het verkoopproces zelfs aansturen, als zij willen. Dat heeft niets te maken met concepten als de ondernemende overheid. De burger heeft, als uiteindelijk belanghebbende, recht op het beste bod.

Natuurlijk, een prijs van 606 gulden per aandeel (plus een tijdelijk vast dividendrecht) is aantrekkelijk, zeker gezien het feit dat Bouwfonds in 1997 nog nieuwe aandelen heeft geplaatst tegen een koers van 250 gulden. In het biedingsbericht van ABN Amro staat een zogeheten fairness opinion van zakenbank Kempen & Co die het bod redelijk en evenwichtig noemt.

Bouwfonds is in de Nederlandse financiële wereld een uniek bedrijf. Het lijkt als verstrekker van woninghypotheken een bank, maar is dat niet en staat niet onder toezicht van de Nederlandsche Bank. In woninghypotheken (een portefeuille van 25 miljard gulden) is Bouwfonds met een marktaandeel van vier procent de grootste partij na de grote banken. Daarnaast is het fonds een vooraanstaand projectontwikkelaar. Deze activiteiten zijn organisatorisch gescheiden.

Voor vijandige, financieel gedreven opkopers is Bouwfonds om van te watertanden: het bedrijf kan in twee delen worden gesplitst. De hypotheekportefeuille kan worden doorverkocht aan een bank of verzekeraar, of als een pakket effecten op de financiële markten te gelde worden gemaakt. De projectontwikkeling kan apart worden verkocht. Het geld dat overblijft is de beloning voor de opkoper.

Zulke acties kunnen in het consensusgerichte Nederlandse bedrijfsleven rekenen op morele verontwaardiging. De concrete belangstelling van enkele woningcorporaties voor de projectontwikkeling bleek een misverstand, maar topman C. Hakstege van Bouwfonds kondigde in Het Financieele Dagblad al direct aan een bod zeker niet te zullen voorleggen aan de aandeelhouders.

Zijn uitlating onderstreept de (nog altijd bestaande) weerzin van Nederlandse topmanagers tegen bemoeienis van aandeelhouders met zaken die zij als hun eigen kerntaken beschouwen. De gemeenten bezitten de aandelen Bouwfonds als afgeleide van hun publieke taak. Een eigen adviseur inhuren om te zien of de prijs van de aandelen klopt is wel het minste dat zij kunnen doen als een begin van verantwoording aan de achterban.