Niet/wel aan de orde

De heer Ad Melkert heeft het kabinet een `evaluatienota' over het ingrijpen van de NAVO in de crisis om Kosovo gevraagd. Merkwaardig is dat het kabinet er niet uit zichzelf mee komt en dat het nog een poosje heeft geduurd voor de vragen op papier zijn gekomen, maar ze zijn goed. Hoe komt het dat de NAVO zich heeft laten verrassen door de enorme aantallen vluchtelingen? Waarom werd het bondgenootschap verrast door het aanvankelijk geringe effect van de luchtaanvallen? En natuurlijk weer de grondtroepen: wanneer is binnen de NAVO overwogen de strijd tot de grond uit te breiden, en was Nederland daarin betrokken? Deze en de andere vragen van de heer Melkert zijn op zichzelf al een evaluatie. Ze verraden diep wantrouwen over opzet en uitvoering van de eerste humanitaire oorlog.

Veel antwoorden zijn intussen beschikbaar. De meeste zijn te vinden in een reconstructie van Dana Priest in de Washington Post, een serie waarvan in deze krant op 25 september jl. een samenvatting is gepubliceerd. In buitenlandse tijdschriften duurt de discussie over de onderneming voort (aanbevolen: de vier laatst verschenen nummers van het Britse maandblad Prospect). Uit deze lectuur blijkt in grote trekken hoe de voorgeschiedenis van het conflict is veronachtzaamd, hoe slecht de oorlog was voorbereid, hoe de NAVO zich zonder een serieuze contingency planning in de strijd heeft gestort – en natuurlijk voor alle mogelijke verrassingen kwam te staan – en ten slotte, hoe controversieel de hele onderneming van het begin af is geweest en voortdurend is gebleven, tot op de dag van vandaag.

Al het gezwets (ik weet geen beter woord) dat over de grondoorlog ten beste is gegeven, neemt niet weg dat dit onderwerp nog nader opheldering vergt. Daarbij gaat het niet om de militaire vraag of er een beroep moest worden gedaan op de gewone soldaat om de finale oplossing te brengen. Van het begin af is het een politiek vraagstuk geweest. Toen namelijk het regime van Miloševic geen aanstalten maakte om onder de bommen te bezwijken, dreigde de fameuze geloofwaardigheid van de NAVO in de knel te komen. Het was de Amerikaanse regering nagenoeg onmogelijk het initiatief tot de strijd op de grond te nemen, omdat daardoor een andere geloofwaardigheid in diskrediet zou raken: die van de president zelf. Met de naderende verkiezingsstrijd konden de Democraten minder dan ooit in Europa gesneuvelde Amerikanen gebruiken. Het was dus in de eerste plaats het belang van Clinton de grondoorlog te voorkomen. Zijn geloofwaardigheid stond op het spel. Het logisch gevolg daarvan was dat de bombardementen werden verhevigd. Daardoor is Miloševic tot zijn terugtocht gebracht. En daardoor is het nieuwe Europese probleem ontstaan: dat van een dictator in een half verwoest, geïsoleerd land op de drempel van de winter. Servië in deze toestand hoort ook tot de erfenis van de oorlog.

Nederland heeft niet veel minder tot de actieve oorlogsvoering bijgedragen dan de Britten, stelt de heer Melkert vast. Hebben de ministers Van Aartsen en De Grave verhoudingsgewijs even krachtig kunnen meepraten? Dat de Nederlandse invloed kleiner is, spreekt bijna vanzelf – en dus niet helemaal; het hangt ook van onze vertegenwoordigers zelf af, de kracht van hun persoonlijkheid en hun kennis van zaken. Maar dat is hier niet aan de orde. Men wil weten welke opvattingen ze in het midden hebben gebracht toen de oorlog woedde; of ze kritiek hebben gehad, of ze wel eens hebben getwijfeld en in welke bewoordingen ze dat de bondgenoten hebben verklaard. En vooral: waar ze hebben gestaan in de kwestie van de grondoorlog en of ze toen hebben verklaard dat ook Nederland misschien wel bereid zou zijn troepen te `leveren', dan wel voor de eer bedankte. Het zou in ieder geval wel vreemd zijn als dit probleem niet in het kabinet besproken was.

De vragen van de heer Melkert raken ook de voorgeschiedenis. Waarom heeft de NAVO geen luchtacties ondernomen na het Servische bloedbad in Racak op 16 januari terwijl de Activation Order (van oktober 1998) daartoe de mogelijkheid bood? Vooruitlopend op wat de ministers zullen zeggen, vermoed ik dat de oorsprong van het antwoord ook al in Washington moet worden gezocht. De president had zojuist zijn huid weten te redden, was aan impeachement ontkomen en had hierna iets anders aan zijn hoofd dan een luchtaanval op de Serviërs (die trouwens al het hele jaar daarvoor aan het etnisch zuiveren waren geweest).

In laatste aanleg gaan deze vragen over de invloed van Nederland binnen het bondgenootschap. Als de Clinton-doctrine geen reclametruc is, maar een ernstig bedoelde grondslag moet geven voor een nieuwe buitenlandse politiek van de NAVO, waarbij volgende humanitaire oorlogen niet zijn uitgesloten, is het bondgenootschap met de oorlog om Kosovo slecht begonnen. De troost is dat het slechter had gekund, als het bijvoorbeeld in een grondoorlog tot een soort bezetting van Servië was gekomen. Over de gevolgen daarvan hoeven we in ieder geval niet na te denken.

Blijft de vraag naar de besluitvorming binnen de NAVO in een eventuele volgende humanitaire interventie. Het is vrijwel zeker dat de Amerikanen dan opnieuw het grootste deel van het militaire werk zouden doen, en dus het beleid bepalen. Voor de bondgenoten gaat het er in dat geval om, wat kritischer naar het plan van actie te kijken vóór de eerste bommen zijn losgelaten; een zorgvuldiger schatting van de mogelijke gevolgen te maken dan ze in deze oorlog hebben gedaan, en vooral ook: er meer rekening mee te houden dat het zwarte scenario werkelijkheid kan worden.

In Kosovo zijn we er niet zo ver vanaf geweest. Op 31 maart was Den Haag nog optimistisch. Het kernkabinet van de oorlog, Kok, Van Aartsen en De Grave, verzekerde dat `er geen alternatief was voor de bombardementen' en de meerderheid van de Kamer was het ermee eens: geen grondtroepen. Op 8 april bleek het kabinet bereid te zijn, Nederlandse soldaten te laten meedoen aan `kleinschalige grondoperaties'. De grootschalige waren in Den Haag toen nog niet `aan de orde.' In Londen en Washington wel. Wat was er bij ons aan de orde, de dag vóór Miloševic toegaf? De antwoorden op de vragen van Melkert zullen het leren, hopen we.