Justitie zet vervolging na ramp door

Het openbaar ministerie heeft besloten de commandant van de brandweer en luchtverkeersleider van de vliegbasis Einhoven strafrechtelijk te vervolgen wegens hun functioneren tijdens de Hercules-ramp.

Dat schrijft minster Korthals (Justitie) in een brief aan de Tweede Kamer. De vervolging was onzeker geworden door een uitspraak van het Gerechtshof in Arnhem, dat een verzoek van nabestaanden om tot vervolging van de commandant van de basis over te gaan, had afgewezen. Het OM meent echter dat deze uitspraak het vervolgen van de brandweercommandant en verkeersleider niet in de weg staat, schrijft de minister.

De minister heeft geen aanwijzingen dat de marechaussee bij het vooronderzoek naar de ramp onzorgvuldig te werk is gegaan. Vorige week brachten Nova en het Eindhovens Dagblad een interne notitie van het OM uit 1997 naar buiten. Advocaat-geneeraal E. van den Boezem noemt hierin het vooronderzoek naar van de marechaussee ,,onzorgvuldig en onvolledig''. De advocaat-generaal constateert verder dat dienstvoorschriften en rampenplannen vlak na de ramp zijn gewijzigd en dat delen van de originele stukken niet zijn opgenomen in het dossier.

Bij de crash van een Belgische C130 transport-toestel in 1996 op vliegbasis Eindhoven kwamen de vierkoppige Belgische bemanning en dertig leden van de fanfare van de landmacht om het leven. Volgens Korthals hebben zijn direct na de ramp verschillende onderzoekscommissies ingesteld. Aangezien er niet ,,op voorhand'' aanwijzingen waren dat er sprake was van geweest van ,,strafrechtelijk laakbaar gedrag'', lag het accent bij al die onderzoeken op de technische oorzaken van de ramp en niet op het functioneren van de brandweercommandant, luchtverkeersleider en commandant van de vliegbasis. De marechaussee heeft de dienstvoorschriften en rampenplannen daarom niet in beslag genomen, zo schrijft de minister.

Volgens Korthals besliste het Arnhemse OM in 1997 aanvankelijk dat de drie functionarissen niet zouden worden vervolgd. Advocaat-generaal Van den Boezem constateerde in een `second opinion' echter dat deze beslissing niet op basis van het door de marechaussee opgestelde dossier kon worden genomen. Volgens de minister heeft Van den Boezem ,,nadrukkelijk niet de bedoeling gehad het onderzoek van de Kmar te diskwalificeren''. Volgens de minister is bij nader onderzoek niet gebleken dat er na de crash met dienstvoorschriften is gemanipuleerd. De minister reageert ook op een passage uit een concept-rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, waarin getuigen verklaren dat de brandweer bij het koelen van brandwonden zo veel bluswater gebruikte dat gewonden hierin zouden kunnen zijn verdronken. In de eindrapportage is deze passage geschrapt. Dit was het OM niet bekend, schrijft de minister.