Indonesië moet de leugen uitbannen

Moslimleider Abdurrahman Wahid is de nieuwe president van Indonesië. Hij moet van zijn land een echte democratie maken. Frank Vermeulen meent dat dit alleen kan als er een eind komt aan de cultuur van de leugen, die Indonesië in haar greep heeft.

Het was een gedenkwaardig optreden, begin september, van de chef-staf van het Indonesische leger en minister van Defensie generaal Wiranto. Die week waren Indonesische militairen samen met door hen opgeleide knokploegen begonnen met een ongekende terreurcampagne in Oost-Timor. Tienduizenden Oost-Timorezen werden, nadat zij in overgrote meerderheid gestemd hadden voor onafhankelijkheid van het gebiedsdeel, gedwongen te vluchten naar West-Timor. Velen vonden de dood. Op de Indonesische televisie was weinig te zien van wat er precies gaande was. En als er beelden van het geweld werden getoond, waren die meestal voorzien van het gebruikelijke commentaar dat er sprake was van een burgeroorlog tussen voor- en tegenstanders van afscheiding van Indonesië. Een van de tv-zenders vertoonde die week wel een optreden van generaal Wiranto voor een publiek van gepensioneerde militairen. Wiranto staat bekend om zijn goede zangstem – hij heeft zelfs in eigen beheer een cd uitgegeven. Die avond vertolkte hij `Feelings', opgedragen aan het aanstaande afscheid van de zogenoemde 27ste provincie. Kennelijk scheen hijzelf, noch iemand anders in de legertop, te beseffen welke indruk de zingende generaal maakte op een breder publiek. Was dit niet het toppunt van cynisme, om krokodillentranen te huilen bij een door hem zelf georganiseerde of althans niet tegengehouden tragedie? Gelooft deze militair echt in het breed uitgedragen beeld dat de meeste Oost-Timorezen nog bij de Grote Indonesische Familie willen blijven behoren? Of is er sprake van kortsluiting tussen de realiteit en de waarneming daarvan door de generaal? Het laatste lijkt het geval en wat erger is, dit blijft niet beperkt tot Wiranto: ook de voormalige president Habibie, die gisteren op het laatste moment zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen introk, lijdt aan kortsluitingsverschijnselen.

Gisteren sprak het Volkscongres officieel zijn afkeuring uit over de verantwoording die Habibie eind vorige week aflegde voor zijn 17 maanden durende regeerperiode. Maar al voordat hij die rede uitsprak, werd deze afgewezen door oppositionele politici van de Strijdende Democratische Partij van Indonesië (PDI-P) van Megawati Soekarnoputri en van de Partij van het Nationaal Ontwaken (PKB) van de vandaag gekozen nieuwe president van Indonesië, Abdurrahman Wahid. Habibie wordt verweten dat hij heeft verzuimd zijn voorganger en jarenlange mentor Soeharto te vervolgen voor corruptie. Ook wordt hij verantwoordelijk gehouden voor het lot van Oost-Timor, en ten slotte weegt zijn betrokkenheid bij het Bank-Balischandaal zwaar. Ten gevolge daarvan hebben de supranationale bankiers van het IMF en de Wereldbank stortingen opgeschort aan de Indonesische schatkist van respectievelijk 380 miljoen dollar en 1,3 miljard dollar. Na Habibie's toespraak bleek slechts een splinterpartij diens verantwoordingsspeech te accepteren: zijn kansen voor herverkiezing waren verkeken. Habibie bleef echter tot het laatst volhouden kandidaat te blijven voor het presidentschap: zondag bood hij als goed moslim eenvoudig zijn verontschuldigingen aan voor zijn tekortkomingen, maar benadrukte dat hij ,,geen afscheid wil nemen van het presidentschap''. Maandag herhaalde hij dat nog eens tijdens een toespraak ten overstaan van militairen. Zelfs de openlijke afwijzing door Wiranto van Habibie's aanbod om vice-president te worden, maandagavond op televisie, was voor de laatste geen reden van zijn kandidatuur af te zien. Uiteindelijk heeft de Golkar-partijtop Habibie moeten dwingen zijn kandidatuur in te trekken.

Wiranto en Habibie zijn slechts exponenten van een politieke elite die de afgelopen paar jaar de indruk wekt dat zij het zicht op de werkelijkheid is kwijtgeraakt en daardoor niet adequaat kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Golkar hielp vandaag de wendbare moslimleider Abdurrahman Wahid mede in het zadel, waarschijnlijk uit dépit tegenover de langjarige rivale Megawati Soekarnoputri. Daarmee negeerde Golkar de stembusuitslag van de parlementsverkiezingen van 7 juni, waarbij Megawati's PDI-P als grootste partij uit de bus kwam. De kans dat daarmee voortgaande instabiliteit in de hand wordt gewerkt, zoals vandaag bleek uit de rellen die onmiddellijk na Wahids verkiezing uitbraken in Jakarta, is groot, zeker omdat aanhangers van Megawati al maanden dreigen met `revolutie' als hun idool geen president wordt.

Golkar heeft er in het verleden steeds blijk van gegeven de maatschappelijke werkelijkheid liever te ontkennen of te verdraaien dan er de consequenties uit te trekken. Zo organiseerde de partij via pressie en stembusfraude voorafgaand aan de parlementaire verkiezingen in het voorjaar van 1997 een monsterzege voor zichzelf. Op dat moment was al duidelijk dat in de samenleving de afkeer van het systeem van Soeharto's Nieuwe Orde een grote vlucht had genomen. In juli 1996 was de hoofdstad voor het eerst in meer dan twintig jaar het toneel geweest van ernstige ongeregeldheden. Aanleiding was een aanval van door het regime gerecruteerde bandieten op het partijkantoor van de Democratische Partij van Indonesië (PDI). Daar verzetten aanhangers van Megawati zich tegen het terzijde schuiven, enkele weken eerder, van hun leider op een door de regering geënsceneerd partijcongres in Medan. In reactie op de ontruiming van het PDI-kantoor sloegen vertegenwoordigers van het stedelijk proletariaat aan het plunderen in het zakencentrum van Jakarta. Voor het verdere verloop van de geschiedenis zouden deze ontwikkelingen cruciaal zijn: gebleken was nu dat voor de massa van armen de maat vol raakte. Bovendien werd Megawati door haar verzet tegen de repressie van het Soeharto-regime een krachtig symbool van oppositie.

Soeharto bleef echter onbewogen door dit incident en dat bleef hij ook toen in de zomer van 1997 de economische crisis inzette. In november dat jaar riep hij wel de hulp in van het IMF om de economie te saneren, maar na enige maanden bleek dat zijn regering niet van plan was zich te houden aan de strikte voorwaarden die het IMF had gesteld. De internationale geldschieters kregen te horen dat zij wel geld mochten geven, maar dat zij niet moesten denken dat daarop dan enige controle mogelijk was: dat werd uitgelegd als inmenging in interne aangelegenheden. In hetzelfde najaar sloeg El Ninjo toe, het oceanografisch fenomeen dat extreme droogte in Indonesië tot gevolg had met als resultaat misoogsten en angst voor hongersnood in oostelijk Indonesië, terwijl westelijk Indonesië en een groot aantal landen in Zuid-oost-Azië onder een verstikkende rookdeken kwamen te liggen. Houtbaronnen brandden de oerwouden van Kalimantan en Sumatra plat om plaats te maken voor winstgevende palmolieplantages. De regering gaf de schuld aan boeren die leven van roofbouw. Soeharto gaf nam geen maatregelen: de Vader van de Ontwikkeling bleef op televisie verschijnen terwijl hij met rijstboertjes sprak over koetjes en kalfjes.

Vervolgens brak 1998 aan. De ontwikkelingen raakten in een stroomversnelling. De economische crisis die in juli 1997 was uitgebroken bereikte in februari 1998 haar dieptepunt. De roepia was niets meer waard, bedrijven moesten dicht, miljoenen waren plotseling werkloos, de economische groei die al twintig jaar op 7 procent per jaar had gestaan, sloeg om in recessie en contractie. In de straten van Jakarta verscheen op grote schaal de verpauperde plattelandsbevolking die zich bij stoplichten en op kruispunten bedelend in leven trachtte te houden. Studenten begonnen hun protesten. Eerst voorzichtig op de campussen met leuzen als `de prijzen moeten naar beneden'. Maar in werkelijkheid bedoelden zij `Soeharto en zijn familie moeten weg'. Later zou dat worden `hang Soeharto op'. In steden op Java kwam het tot pogroms tegen de etnisch-Chinese minderheid, die de schuld kreeg van de economische crisis.

Soeharto koketteerde met het idee zich niet verkiesbaar te stellen en zich de rest van zijn leven te wijden aan zijn familie en aan de religie. In de Indonesische pers werd breed uitgemeten dat de oude autocraat zich met tegenzin liet overhalen om nog een keer het land te leiden, nadat Golkar-functionaris Harmoko hem verzekerd had dat dat de wens was van het hele volk. Het werden de desastreuze laatste twee maanden van de Nieuwe Orde, waarin de oud-generaal de vruchten van zijn 32-jarig bewind letterlijk in vlammen zag opgaan. Zeker 1.200 mensen kwamen om het leven tijdens de plundering van Jakarta op 12 en 13 mei. De economisch belangrijke etnisch-Chinese bevolkingsgroep vluchtte en masse het land uit, waar de kapitaalkrachtigen al eerder hun bankrekeningen hadden geparkeerd. Tegen de tijd dat Soeharto op 21 mei zijn aftreden bekendmaakte, na eerst toch weer geprobeerd te hebben zelf leiding te geven aan een kabinet van `reformasi', was Indonesië economisch bankroet, politiek stuurloos, en internationaal afgebrand.

Soeharto droeg het land over aan zijn vertrouweling Habibie, die van het presidentschap een karikatuur maakte, alweer zonder dat zelf in te zien. De nieuwe president opereerde in eigen land alleen onder de slagschaduw van de altijd aanwezige chef-staf Wiranto, en stond internationaal onder politieke en economische curatele van de Verenigde Staten en het IMF. Aan de creditzijde van zijn regeringsperiode staan de democratische hervormingen, de toegenomen vrijheid van meningsuiting en de verbetering van de mensenrechtensituatie. Maar daartegenover staat dat hij niet bij machte was een eind te maken aan Soeharto's Nieuwe Orde. Het wezen daarvan is dat de aangename leugen te prefereren valt boven de harde waarheid. Dat Indonesië een grote natie is, die een strategische regionale rol te vervullen heeft, en dus niet een overbevolkte, verpauperde verzameling eilanden die geregeerd wordt door een machtsvacuüm. De voortlevende Nieuwe Orde die beterschap blijft beloven op financieel-economisch gebied, en tegelijkertijd niet optreedt tegen corruptie en zelfverrijking. De Nieuwe Orde ten slotte die blijft geloven in de politieke rol van het leger, dat als enige waarlijk nationale institutie, voor en door het volk, zijn heilzame werk verricht en ontkent dat de strijdkrachten onder Habibie/Wiranto geschoten hebben op de eigen burgers, niet alleen in Oost-Timor, maar ook in Aceh, de Molukken, West-Papua, en vorige week nog in Jakarta.

Vandaag heeft het Volkscongres een nieuwe president gekozen. Deze zal aan het hoofd staan van een overgangsregering die tot taak heeft van Indonesië een meer democratische natie te maken. Voorwaarde daarvoor is dat het afschaffen van de staatsleugen bovenaan de politieke agenda moet staan. De buitenwereld kan aan die ontwikkeling bijdragen. Bijvoorbeeld door functionarissen die zich door corruptie verrijkt hebben, te laten merken dat zij daar niet mee wegkomen in de internationale gemeenschap. Belangrijker nog is de aanpak van de mensenrechtenkwestie: daar heeft de internationale gemeenschap de mogelijkheid de nieuwe machthebbers in te scherpen dat schendingen van mensenrechten bestraft worden, is het niet in eigen land, dan toch zeker buiten de grens. Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Mary Robinson heeft een vijfkopige onderzoekscommissie aan het werk gezet die de gruweldaden op Oost-Timor, gepleegd onder auspiciën van het Indonesische leger, moet uitzoeken. Dat kan er uiteindelijk toe leiden dat de verantwoordelijken terecht moeten staan voor een internationaal tribunaal. Het is een goed begin: de impact van een dergelijk tribunaal op de militaire en politieke elite in Jakarta kan moeilijk worden onderschat. Het gezichtsverlies zal ongetwijfeld geen grenzen kennen. Een nationalistische reactie kan nu al worden voorspeld. Toch is dit de enige weg, zolang Indonesische politici zelf niet bij machte zijn wandaden door het leger gepleegd, te laten vervolgen en berechten.

Frank Vermeulen is redacteur van NRC Handelsblad. Hij was tot eind september van dit jaar correspondent van deze krant

in Jakarta.