Groot toonzetter van 't kleine lied

Harry Bannink schudde altijd een beetje afwerend met zijn hoofd als hij componist werd genoemd. Hij wist langzamerhand heus wel wat hij waard was, sommige nummers waren inderdaad heel aardig gelukt, maar we moesten niet overdrijven. ,,Mozart en Beethoven, dát waren componisten'', zei hij dan. Zelf noemde hij zich liever `toonzetter'. Dat was te bescheiden, al tekende het wel de dienstbare positie die hij zichzelf had toegedicht. De tekst stond voorop, en het was zijn taak de woorden tot zingen te brengen.

De man die eens verbaasd – en bijna beschaamd – vaststelde dat hij volgens de Buma-afrekeningen meer dan 3000 liedjes had geschreven, is geboren en getogen in het onopgesmukte Enschede. Na de mulo, die hij door de oorlog niet kon afmaken, belandde hij in een dansorkestje dat onder meer voor de Canadese bevrijders speelde. Nog jarenlang maakte hij ook deel uit van een vocal group. Daarnaast behaalde hij het staatsdiploma piano en werd muziekleraar. Via een cabaretcursus belandde hij halverwege de jaren vijftig bij de KRO-radio, waar hij een ideale aanwinst voor de kleinkunstprogramma's bleek te zijn: hij was een uitstekend begeleider en kon bovendien heel snel aansprekende melodietjes maken.

Zijn eerste contacten met het theater kreeg Bannink via Wim Sonneveld. Hij was in 1960 repetitor bij de musical My fair lady en werd vier jaar later de vaste begeleider van Sonnevelds eerste one man show. Daaruit dateren ook zijn eerste hits: Tearoom tango, Zeg maar ja tegen het leven en Nikkelen Nelis. Het eerste liedje op tekst van Annie M.G. Schmidt was het door Conny Stuart vereeuwigde Hoezepoes, een staalkaart van klassieke en populaire themaatjes op een tekst die verre van maatvast was. Maar juist de grilligste teksten gaven hem het meeste plezier, zei hij later: ,,Ik heb er een zekere handigheid in gekregen om, als een klemtoon niet helemaal goed zit, bijvoorbeeld een nootje weg te laten, zodat 't toch weer klopt. In dat soort puzzelwerk heb ik altijd heel veel aardigheid gehad.''

Zijn grote musical-jaren begonnen in 1965 met Heerlijk duurt het langst, die een ongekend aantal klassieke nummers heeft opgeleverd. Zeven musicals schreef hij met Annie M.G. Schmidt, maar zijn dierbaarste herinneringen koesterde Harry Bannink aan de sfeer van onbezorgde gelukzaligheid waarin die eersteling tot stand kwam. Al een half jaar na de première stelden de royalties hem in staat te stoppen als begeleider van Sonneveld, maar naderhand zat hij in de tv-studio nog jarenlang graag aan de piano als `hoofd-geitebreier' van het orkestje dat het kleuterprogramma De film van Ome Willem begeleidde. Ook voor jeugdseries als De Stratemakeropzeeshow en De J.J. de Bomshow leverde hij in die tijd, op teksten van Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, pareltjes van bedrieglijke eenvoud af. En de comedy-serie `t Schaep met de 5 poten van Eli Asser kreeg, dank zij Bannink, de ene meezinger na de andere.

Zijn grootste kwaliteit lag wellicht in de volstrekte vanzelfsprekendheid van zijn werk; het is onvoorstelbaar dat er op die teksten ooit andere muziek zou zijn geschreven. Maar hij was, dat wordt vaak vergeten, ook een geniaal arrangeur van zijn eigen melodietjes. Een navrant liedje als Vluchten kan niet meer is des te rijker geworden door de melancholieke tegenmelodie. Zonder het gestopte trompetje (wah-wah) klinkt Op een mooie pinksterdag een stuk kaler. Wie de onvergetelijke liedjes uit de serie Ja zuster, nee zuster zingt, zingt meestal ook de extraatjes uit het arrangement mee. Met aanstekelijk vernuft boorde Bannink in die nummers een groot aantal muzikale bronnen aan, van diverse soorten volksmuziek (Stroei-voei, Popocatepetl) tot de Beatle-koortjes in het grappige Harry wat heb je met je haar gedaan, waarin Annie Schmidt nadrukkelijk naar haar lijfcomponist knipoogde. Sinds de schrijfster stierf, heeft de toonzetter meer aandacht gekregen. Dit voorjaar maakte Bannink zelfs, door vrienden overgehaald, een cd waarop hij zelf zong – met een gedistingeerd, ietwat rustiek timbre, dat niet alleen precies paste bij een wonderschoon nummer als Wat voor weer zou het zijn in Den Haag, maar ook bij de gentleman die hij was. Het is moeilijk te geloven dat hij dood is, want zijn werk leeft nog volop. Hij bracht de woorden tot zingen, hij zette de toon.