Grondlegster `nieuwe roman'

Als je niet uniek kunt zijn in wat je doet, kun je er beter mee ophouden. Dan heeft het geen werkelijk vernieuwende waarde, vond de Franse schrijfster Nathalie Sarraute (geb. Tcherniak). Sarraute, de grondlegster van de `nouveau roman', overleed gisteravond op 99-jarige leeftijd in haar woning in Parijs. Dat heeft haar familie bekendgemaakt.

Weinig auteurs zullen een oeuvre achterlaten dat zo uniek en zo consistent is als dat van Sarraute. Weinigen ook zullen zich in zo geringe mate om hun lezerspubliek hebben bekommerd. Misschien viel haar daarom pas drie jaar geleden een eerste officiële, prestigieuze erkenning ten deel: haar volledige werk werd opgenomen in de Pleiade-reeks.

In de zevenenzestig jaar van haar actieve schrijversschap (zij begon in 1932) is Sarraute volledig trouw gebleven aan één enkel, piepklein domein waarvoor haar belangstelling nooit verslapte en waaraan je haar werk uit duizenden kunt herkennen: de tropismes. Dit is ook de titel van haar eerste boek, dat in 1939 verscheen. Oorspronkelijk is het een biologische term voor de bewegingen van planten in reactie op licht of zwaartekracht, maar Sarraute gaf er een literaire duiding aan. Bij haar zijn het niet waarneembare, onbewuste bewegingen van onze geest, die ten grondslag liggen aan onze gebaren, gevoelens en uitspraken. Het ging Sarraute om wat er zich in ons brein afspeelde nog voor er een woord werd gezegd, nog voor er een gebaar werd gemaakt, nog voor een gezicht een bepaalde uitdrukking kreeg. Daar lag volgens de schrijfster de bron van ons bestaan. Ze herinnerde zich heel precies gevoelens die ze ooit zelf eens in de bepaalde situatie had ervaren (jaloezie, verlegenheid, boosheid) en, zonder ze te willen benoemen, laat staan te analyseren, zocht ze er andere, levende woorden voor, in een nieuwe combinatie. Vaak ging ze uit van ergens in een café opgevangen flarden van zinnen, van een standaarduitdrukking of een toevallig gehoorde uitroep. Dan was het aan de lezer om denkend, puzzelend, zich een eigen beeld te vormen bij Sarraute's pure, poëtische taal, die associaties opriep met de minuscule bewegingen van de radertjes in een ouderwets horloge. Zelf vergeleek Sarraute haar boeken eens met het soort vertraagde films waarop je het gras kunt zien groeien, bewegingen zo subtiel dat ze bij gewone opnamen onzichtbaar blijven.

Decennia lang was er nauwelijks iemand die Sarraute's werk opmerkte. Tijdens de oorlog weigerde zij, als dochter van een joods-Russische vader, de gele ster te dragen. Zij scheidde pro forma van haar echtgenoot, de advocaat Raymond Sarraute met wie ze in 1925 was getrouwd, zodat die in Parijs zijn functie kon blijven uitvoeren. Met haar drie dochters dook zij onder bij vrienden op het platteland en schreef Portrait d'un inconnu, waarvan, ondanks een voorwoord van Jean-Paul Sartre, slechts vierhonderd exemplaren werden verkocht.

Pas in 1956, na het verschijnen van L'Ère du soupçon, een essaybundel over de vorm en de toekomst van de roman, kreeg Sarraute wat meer erkenning. In haar boek legde Sarraute uit dat de roman van de toekomst zich moest bevrijden van het knellende keurslijf van de traditionele roman à la Flaubert, van onderwerp, personages en handeling. De nieuwe roman vroeg volgens haar om een radicaal nieuwe vorm. Zij legde daarmee de basis voor de `nouveau roman', onbetwist één van de belangrijkste ontwikkelingen in de Franse literatuur van de twintigste eeuw.

In de tweede helft van de jaren vijftig experimenteerden ook iets jongere auteurs met de vorm van de roman. Alain Robbe-Grillet, Claude Simon, Robert Pinget, Samuel Beckett en Claude Ollier, die hun werk ook bij uitgeverij Minuit publiceerden, voelden zich aangesproken door de denkbeelden van Sarraute. Toen een bekend criticus van Le Monde in één artikel zowel Tropismes van Sarraute als La jalousie van Robbe-Grillet afkraakte en pejoratief sprak van `nouveau roman', was de naam van een nieuwe stroming geboren. Een stroming die voortaan in iedere literatuurgeschiedenis prominent zou worden opgenomen, maar die er in feite geen was. `Het is nooit een echte groep geweest, want we ontmoetten elkaar nooit', zei Sarraute in een interview met deze krant.

In Sarraute's bekendste boek, Enfance (1983), roept zij in een dialoog met haar alter ego, (vaak pijnlijke) ogenblikken op uit haar kindertijd. Tot haar negende voelde zij zich verscheurd tussen twee landen – haar geboorteland Rusland en Frankrijk, dat haar vaderland zou worden – en twee mensen: haar vader en haar moeder. Deze poëtische impressies behoren tot het mooiste dat zij ooit schreef. Evenals aan dit boek liggen ook aan haar over de hele wereld gespeelde toneelstukken, zoals Le silence, Le mensonge, C'est beau en Pour un oui ou pour un non, tropismes ten grondslag. In haar laatste boek, Ouvrez, een verzameling van vijftien teksten, had Sarraute haar meest pure literaire vorm gevonden. Woorden zijn er autonome, levende wezens, die kunnen spreken, bewegen en manipuleren. De laatste tekst gaat over hoe het voelt om met je mond vol tanden te staan. De woorden van de mogelijke repliek staan te dringen, maar vinden de weg niet. Ze verdwalen in onderaards gegraven gangen `die God weet waarheen leiden', zodat er geen spoor meer van hen achterblijft: `Er ligt een dik, goed verzorgd gazon overheen', besluit Sarraute. Gelukkig rest ons die mooie, vuistdikke Pleiade.