Buurman

Soms ga je van mensen houden zonder dat je het in de gaten hebt. Je buren bijvoorbeeld. Je loopt niet de deur bij elkaar plat, maar je ziet ze bijna dagelijks, je praat over kinderen, katten, koetjes en kalfjes en in de loop van de jaren ontstaat er een sfeer van vertrouwelijkheid waarin ook de intiemere onderwerpen bespreekbaar worden. Maar of je van ze houdt, dat vraag je je nooit af. Ze zijn er, en ze bevallen je.

Je hoort meer over de haat tussen buren dan over hun wederzijdse genegenheid. Haat is nu eenmaal interessanter voor roddel en tv-programma's. Toch denk ik dat er tussen buren vaker vriendschap is dan haat. Je hebt elkaar nodig, je helpt en waarschuwt elkaar. Op den duur ga je één front vormen tegen de lastige en soms boze buitenwereld.

Op die manier heb ik met mijn gezin twintig jaar naast dezelfde buren gewoond. Daarna vonden we het nodig om te verhuizen. Dat was, vanwege de band met die buren, geen aangename beslissing, maar het leven kent nu eenmaal zijn verleidingen. We gingen.

We zagen onze buren nog wel, maar veel minder dan vroeger. Toch hebben we in dat ene jaar na ons vertrek vaker en intenser aan hen moeten denken dan ooit tevoren. Mijn buurman kreeg namelijk kanker. Vijf jaar eerder was er een melanoom op zijn rug verwijderd. De perspectieven waren gunstig, maar opeens dook er elders in zijn lichaam een nieuw gezwel op en in de kortste keren was het duidelijk dat zijn leven ernstig in gevaar was. Negen weken geleden keek de dokter hem recht in de ogen en zei: ,,Wij kunnen niets meer voor u doen.''

Ik zal geen held zijn als het mij ooit overkomt. Niet dat mijn buurman een held was – hij zou zo zeker niet genoemd willen worden – maar ik hoop wel dat hij een voorbeeld voor me zal zijn als het mij overkomt. Hij onderging zijn lot zonder pathos of zelfbeklag. Hij vond het vreselijk als er mensen huilend aan zijn bed gingen zitten. Hij begreep dat wel, maar hij had het liever niet. Hij was een geliefd mens en als elk bezoek in een tranenvloed uitmondde, zou hij al geen leven meer hebben voordat hij écht geen leven meer had.

Liever praatte hij over de politiek en over Feyenoord, zijn lievelingsclub waarmee ik hem zo graag plaagde. Toen ze onlangs met 1-0 tegen Borussia Dortmund voor kwamen, heb ik gebeden dat ze standhielden. Op dat moment belde mijn buurman op. Zijn stem was al danig verzwakt. ,,Wat denk je, houden ze het?'' ,,Natuurlijk'', zei ik tegen beter weten in, want ik ken Feyenoord. We waren nog niet uitgesproken of Borussia scoorde tegen. Ik vloekte. God, wat had ik hem die overwinning gegund.

Deze week hebben we hem begraven. Euthanasie had hij niet gewild. Al die toestanden, jongen, zei hij, waarom zou ik, het is zo al erg genoeg voor mijn familie, en ik wil trouwens graag zo lang mogelijk bij ze zijn. Zó had ik het nooit bekeken. Sterven, vond ik altijd, kun je maar beter overslaan. Mijn buurman leerde me de beperktheid van die visie. Alleen al om die reden mag ik hem nooit vergeten.