Zwarte Piet is een watje

Eeuwenlang hebben ze heilzaam werk verricht in de opvoeding. De boze boeman, Sinterklaas en Zwarte Piet. Hel, duivel en verdoemenis. Kolenhok, kostschool en kalekoppenhuis. Generaties jongens (en meisjes) van Jan de Wit zijn groot geworden onder die dreiging. En ineens was het voorbij.

Zo voorbij, dat in 1974 de Bezige Bij het boek Het prentenboek van Tante Pau kon uitgeven, vol oude moralistische kindervertellingen. De `Geschiedenis van den plaaggeest' staat erin, die een oud vrouwtje sart en prompt in het gevang wordt gestopt. De `IJselijke Geschiedenis van den klimmer', die ondanks waarschuwingen van zijn moeder op de vensterbank klimt, tot hij uit het raam valt en: `daar brak hij, op de steenen, bei zijn armen en zijn beenen'. Het verhaal van Dora die maar blijft duimen, tot een plots opduikende `groote man met een groote schaar' haar duimpjes afknipt. En er is natuurlijk volop Sinterklaas: `Ei ei, die Sint Niklaas is toch lang niet mak! Daar stopt hij twee knaapjes pardoes in zijn zak.'

Een angstig universum. Sommige verhalen dateren nog uit deze eeuw, maar in 1974 waren ze al voorgoed verleden tijd en kochten ouders die vroeger doodsbang voor Zwarte Piet waren geweest, ze ter vermaak voor hun eigen, onbezorgde kinderen.

In de loop van de eeuw is de boze boeman uit de opvoeding verdwenen. Kinderen pikken dat niet meer, volgens Jo Hermanns, hoogleraar pedagogiek aan de universiteit van Amsterdam. Ten eerste omdat ze wel beter weten. Ze hebben een `brede kijk op de wereld' volgens hem: ,,De informatiestroom werkt verlossend.'' Een beetje kind heeft anno 1999 al vergaande controle over videobanden met meer heksen en draken dan zijn ouders in hun leven hebben gezien. En dan duurt het geen twee jaar meer of hij slacht die monsters (en ergere) af op het beeldscherm van zijn computer. De boze boeman is een watje.

Kinderen zijn bovendien niet meer gewend klakkeloos aan te nemen wat hun ouders ze zeggen. De vader of moeder die nog wegkomt met het machtswoord `omdat ik het zeg', is een uitzondering. In sociologische termen: de ordening van de maatschappij heeft zich ontwikkeld van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding. Een kind is gewend geraakt met zijn ouders te onderhandelen over alles wat hij doet en alles wat hij mag. Okee, ik maak mijn huiswerk, maar dan mag ik vanavond de afstandsbediening.

Dus het is niet meer: Als je dat niet doet, stopt Sinterklaas je in zijn zak en neemt hij je mee naar Spanje. (Wat zou er tegen 5 december ook eng zijn aan Spanje voor kinderen die zomers nog hebben gezwommen bij Marbella?) Nu is het meer: Als je dat niet doet, krijg je van Sinterklaas misschien alleen die kleine doos Knex, maar zeker geen PlayStation. Dreigen is het voortzetten van de onderhandeling met andere middelen.

Echt ouderwets dreigen is fout, spreekt ook uit de adviezen van de opvoedtelefoon. Als je per se wilt dreigen – ,,uit onmacht'', zegt de opvoedtelefoniste erbij – doe dat dan realistisch. Zeg niet tegen je ruziënde kinderen op de achterbank: Ik zet je uit de auto, want ze weten dat je dat toch niet doet. Zeg liever: Als je zoveel snoept, krijg je allemaal gaatjes in je tanden. En dan komt de tandarts met zijn grote boor.