`Staat verrijkte zich over rug van Goudstikker'

Voor het Haagse hof bereikte de zaak Goudstikker gisteren zijn voorlopige hoogtepunt met een eis tot teruggave van 235 schilderijen.

Roerloos zat Marei von Saher de gehele dag te luisteren in het Haagse Paleis van Justitie. Daar, voor het gerechtshof, diende gisteren de zaak die ze heeft aangespannen tegen de Nederlandse staat om het eigendom te verkrijgen over 235 waardevolle schilderijen van haar schoonvader, de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940). Nederlands verstaat zijn schoondochter, die in Amerika woont, niet. Maar Duits wel, dus was ze in staat de pleidooien van de advocaten in grove lijnen te volgen, vertelde ze na afloop.

De zitting gisteren was het voorlopige hoogtepunt van het nu bijna twee jaar durende juridische gevecht om een collectie kunstwerken met een waarde van honderden miljoenen guldens. Het is voor zover bekend de eerste zaak die in Nederland voor de rechter komt sinds in 1997 wereldwijd een stroom publicaties over `oorlogskunst' op gang kwam.

,,We hebben een rondgang gemaakt langs archieven in binnen- en buitenland'', zei mr. H.M.N. Schonis, advocaat van Von Saher, bij aanvang van de zaak. ,,Dat heeft letterlijk een berg aan documenten over het verleden opgeleverd.'' Achter hem stonden zes volle dozen ten bewijze daarvan.

De zaak vindt zijn oorsprong in rijksmaarschalk Hermann Görings liefde voor kunst. In juli 1940 kocht hij voor 2 miljoen gulden de schilderijen van Goudstikker, terwijl zijn beschermeling Alois Miedl diens kunsthandel en onroerende goederen overnam voor 550.000 gulden. Goudstikker was toen al dood. Hij stierf op het schip waarmee hij in mei 1940 het land ontvlucht was.

De meest waardevolle schilderijen werden door de geallieerden in beheer gegeven aan de Nederlandse staat. Ze hangen nu in verschillende musea. Volgens een wet die de Nederlandse regering in ballingschap maakte, vielen goederen toe aan de staat wanneer die tijdens de oorlog vrijwillig aan de bezetters waren verkocht.

Als de staat de schilderijen houdt, dan heeft hij ,,over de rug van Goudstikker zijn nationaal kunstbezit verrijkt'', zei mr. R.O.N. van Holthe tot Echten, ook advocaat van Marei von Saher. Zijn confrère Schonis beklaagde zich erover dat de staat steeds ,,formele'' argumenten aanvoert om de claim niet te hoeven honoreren. ,,Het recht is verjaard, de rechter is niet bevoegd, er is al over de claim gesproken – dat zijn allemaal verhalen om min of meer elegant van de zaak af te komen.''

De zaak spitste zich onder meer toe op de vraag in hoeverre de weduwe van Jacques Goudstikker, Desi, goed geïnformeerd was, toen zij na de oorlog met de Nederlandse overheid onderhandelde over teruggave van de bezittingen van haar overleden man. Volgens de landsadvocaat mr. M. van Rijn kreeg zij prima raad. Om te beginnen was er haar nieuwe echtgenoot Von Saher, ,,een jurist van kwaliteit, werkzaam bij de Kamer van Koophandel in New York'', die de Nederlandse regering in ballingschap nota bene had geadviseerd over de wetgeving waarmee oorlogstransacties na de bevrijding ongedaan werden gemaakt. Dan was er nog Max Meyer ,,ook een advocaat van naam'' en ten slotte Ynzo Scholten, ,,die later minister van Justitie werd.''

Dus Desi was niet `stukgeprocedeerd', zoals de advocaten van Von Saher zeiden, ze wist volgens de landsadvocaat wat ze deed toen ze in 1952 een schikking trof met de Nederlands staat. Daarin werd onder meer bepaald dat zij onroerend goed van haar man en wat resteerde van de opbrengst van verkoop – een bescheiden bedrag van 1,3 miljoen, lijkt het achteraf – mocht houden. Over de interpretatie van deze ,,dading'' verschilden de partijen van mening. De landsadvocaat betoogde dat de weduwe Goudstikker daarmee afzag van alle mogelijke nieuwe claims, volgens de advocaten van Marei von Saher deed zij dat alleen voor zover die claims betrekking zouden hebben op de transactie met Alois Miedl (de schilderijen werden gekocht door Göring). De topman van het Derde Rijk kocht trouwens niet alleen schilderijen bij de kunsthandel. Hij schafte ook een poppenhuis aan, zo bleek op de zitting. Göring zou dat vervolgens aan Miedl hebben teruggegeven, die het daarop weer verkocht.

Het poppenhuis werd ter sprake gebracht door de landsadvocaat. Waarom? Dat heeft te maken met een andere belangrijke vraag, namelijk of de Goudstikker-bezittingen in juli 1949 vrijwillig of onvrijwillig werden verkocht. Volgens de advocaten van de erfgename heeft de staat steeds beweerd dat er sprake was van vrijwilligheid. Dat kreeg zij bijvoorbeeld te horen van directeur A.B. de Vries van de Stichting Nederlands Kunstbezit, die belast was met de teruggave van gestolen kunst. Die zelfde De Vries zei tegen de geallieerden trouwens dat de verkoop onvrijwillig was, zo blijkt uit een brief die de advocaten vonden.

Desi werd door de overheid jarenlang op alle manieren tegengewerkt, stelden ze. Daarom moest ze tot een schikking besluiten. ,,Zij woonde in het buitenland, vreesde een derde wereldoorlog en wilde na zoveel jaar van de zaak af. Het was genoeg geweest.'' De advocaten noemden het een ,,tournure'' dat de toenmalige staatssecretaris van Cultuur Nuis in 1997 erkende dat de verkoop onder dwang plaatsvond. Dat ,,novum'' zou volgens hen reden moeten zijn om de zaak opnieuw te bezien.

Om het tegendeel te bewijzen, herinnerde Van Rijn namens de staat aan het poppenhuis. In 1949 oordeelde de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor Rechtsherstel dat dat poppenhuis – wat er mee gebeurde bleef overigens onduidelijk – onder dwang was verkocht aan Göring. Dus van een ,,tournure'' van de overheid was geen sprake, zei de landsavocaat. ,,Men had een uitspraak op zak waarin de afdeling zegt dat het onvrijwillig was.''

Maar eigenlijk deed de inhoud van de zaak er niet eens toe, zei Van Rijn, omdat het Gerechtshof onbevoegd was zich over de zaak te buigen. Het Gerechtshof fungeerde gisteren als rechtsopvolger van de Raad voor Rechtsherstel, die in de jaren '60 werd opgeheven. Met een beroep op jurisprudentie probeerde Van Rijn aan te tonen dat de `rechtsherstelrechter' er niet is om te oordelen over schikkingen. De zaak zou moeten worden behandeld door een `gewone', civiele rechter.

Uitspraak 16 december.