Paleis

El Pardo was het ideale paleis voor een generaal die koning speelde: net buiten de stad, geen provocatie, toch vol aristocratie. De Franco's leefden er 35 jaar in volledige afzondering, slechts onderbroken door korte bezoeken in het land en welgeteld drie buitenlandse reizen: naar Hitler, naar Mussolini en naar Salazar.

Nu schuif ik mee achter de paleisgids, langs de ene bonbondoos na de andere, vol verguldsel, gobelins en tapijten. Kijk, daar is de eetzaal waar geen familielid ooit repte over 's lands problemen, alleen over `verraders' en `ondankbaren'. Er hangt een stilleven van hammen, kreeften en opengesneden herten. Het privé-bioscooptheatertje, met Franco's stoel nog middenin – als een ware vader censureerde hij persoonlijk alles wat in Spanje in première ging. De tafel van de ministerraad – zijn immense blaas was zijn wapen, eindeloos kon hij vergaderingen rekken totdat iedere opponent wel eens weggestormd was. De enorme televisie, later vrijwel zijn enige blik op de buitenwereld.

Zijn zuster Pilar schreef, in haar in 1980 gepubliceerde herinneringen: `Natuurlijk, hij betaalde geen huur voor El Pardo, en zijn levensonderhoud kwam uit de staatskas. Maar ik weet met stelligheid dat hij de staat nooit liet betalen voor zijn kleding. Hij betaalde persoonlijk voor zijn eigen ondergoed.'

Ach, en daar is zijn slaapkamer, lichtgroen in nep-empire, met twee aandoenlijke bruine leeslampjes voor hem en zijn Doña Carmen. Er ligt nog altijd hetzelfde tapijt dat doordrenkt werd met bloed, in die novembernachten van 1975, toen dit leven langzaam uit hem wegstroomde.