`Oor' levert bijdrage aan orgie van lijstjes

Toen het popmuziektijdschrift Oor in de jaren zeventig werd opgericht en hij nog leefde, was hij voor rockliefhebbers de personificatie van alles wat rock niet was. Hij hulde zich in wanstaltige kledij, had een verzorgd kapsel, liet zich door de Amerikaanse president Nixon onderscheiden wegens anti-drugs-activiteiten en trad op in Las Vegas, de hoofdstad van de wansmaak, waar hij muziek maakte waarvan de ouders van rockliefhebbers hielden. Maar nu, een paar maanden voor de millenniumwisseling, staat Elvis dan toch nummer 1 in Het Laatste Oordeel, zoals Oor met de gebruikelijke meligheid de bijlage met de top honderd van belangrijkste `herenvocalisten' uit een eeuw popmuziek heeft gedoopt.

De naderende millenniumwisseling veroorzaakt een orgie van lijstjes van belangrijkste kunstenaars, politici, voetballers, schrijvers, misdadigers, enzovoort, enzovoort, en Oor doet er volop aan mee. Na deze top 100 van `herenvocalisten' pop volgen nog lijstjes `damesvocalisten' en `instrumentaal'. Zo komt het dat Jimi Hendrix in dit eerste `definitieve klassement van de belangrijkste popartiesten sinds 1900' ontbreekt. Hij wordt door de samenstellers van de lijsten, Tom Engelshoven, Paul Evers, Hans van den Heuvel en Bert van de Kamp, meer gewaardeerd om zijn gitaarspel dan om zijn zang en is dus verwezen naar de categorie `instrumentaal', waar hij vermoedelijk de eerste plaats zal innemen.

De vier samenstellers hebben ook de meeste van de korte toelichtingen bij de 100 mannelijke popartiesten geschreven. Van alle artiesten zijn foto's opgenomen in de 48 pagina's tellende bijlage, kleine van de nummers 100 tot en met 21 en grote van de top 20. Als noot bij de toelichtingen zijn, heel handig, de belangrijkste platen van de betreffende top-100-van-de-eeuw-artiesten toegevoegd. Op de top 100 volgt nog een schools overzicht van de belangrijkste popstromingen, net zo overbodig als het interview met zanger Chris Cornell waarmee de bijlage opent.

Lijstjes zijn altijd goed. Ze zijn natuurlijk nooit zoals je ze zelf zou maken en leiden daarom tot ergernis en verontwaardiging. Zo is het ronduit bespottelijk dat Todd Rundgren, die ook al geheel ten onrechte uit de Popencyclopedie van Oor is verdwenen, niet voorkomt in de Top 100 Herenvocalisten. Queen wordt met zijn zesde plaats zwaar overgewaardeerd, en Prince op 24 juist ondergewaardeerd. Hoort Frank Sinatra überhaupt wel thuis in een poplijst? Is Nirvana (nummer 5) nu echt belangrijker geweest in deze eeuw dan James Brown (nummer 9) of Bob Dylan (nummer 7)? En getuigt Little Richard op nummer 2 voor The Beatles op nummer 3 niet van een overdreven dwarsigheid van de samenstellers?

Over zulke vragen kan eindeloos worden gepraat, maar over één ding niet: Oor had nooit met drie `definitieve klassementen' popmusici moeten komen. Zo weten we op 1 januari 2000 nog niet wie Oor definitief de belangrijkste popmuzikant van de eeuw vindt.

Oor, nr 21 (16 oktober). Prijs ƒ6,95