In milieubranche vervagen grenzen door prijzenslag

Als de milieubranche vervuild zou zijn door enkele duistere adviesbureautjes, was het probleem zo uit de wereld te helpen. Dit is niet het geval. De milieubranche pleit daarom zelf voor meer controle van buitenaf.

Minister Pronk van Milieu wil een zwarte lijst opstellen voor onbetrouwbare milieu-adviesbureaus. Maar volgens milieudeskundigen is het onderscheid tussen bonafide en malafide milieu-adviesbureaus en ingenieurbureaus niet zo scherp te maken. Als gevolg van de grote concurrentie tussen de vele milieu-adviesbureaus zou de verleiding om cijfers mooier te maken dan ze zijn bij alle bedrijven wel eens te groot zijn.

Omdat iedereen een bord `milieu-adviseur' op zijn deur kan spijkeren is er bijvoorbeeld al geen overzicht van hoeveel van dit soort bedrijfjes er zijn. Hoogleraar milieukunde W. Hafkamp schat dat het aantal milieu-adviesbureaus in de vele honderden loopt, ,,misschien wel duizenden''. Prof. A. Brouwer van het Instituut voor Milieuvraagstukken denkt dat het er tientallen, ,,misschien wel honderden'' zijn.

Na de vele milieuconvenanten begin jaren negentig groeide het aantal bureaus snel, met in 1992 en 1993 een hoogtepunt in groei. Door de marktverzadiging en de verminderde aandacht voor de milieuproblematiek in de laatste twee jaar is het aantal ingedikt.

De meeste bureautjes zijn een spin-off van al bestaande adviesbureaus. Ambtenaren die voor zichzelf beginnen of jonge academici met enkele jaren werkervaring die met enkele gelijkgestemden een adviesbedrijf opzetten. Ook gemeentelijke instanties als de politie hebben vaak een eigen dienst in huis om steekproeven te nemen.

Volgens de ONRI, de brancheorganisatie van dertig milieu-adviesbureaus wordt de beunhazerij veroorzaakt door de grote prijzenslag. ,,De milieu-adviesbranche is aan de onderkant van de markt terecht gekomen, waardoor veel bureaus van ons zich hebben teruggetrokken. Omdat opdrachtgevers al voor een dubbeltje verschil naar een ander gaan, krijgen instellingen vervolgens het advies waarom ze gevraagd hebben'', aldus directeur F. Hasselaar.

Hafkamp denkt dat de scheiding tussen betrouwbare en onbetrouwbare bureaus niet te maken is. Volgens hem maken alle bureaus zich wel eens schuldig aan verwijtbare verkeerde beslissingen. Kleine bedrijven moeten hun hoofd boven water zien te houden, waardoor de kwaliteitsstandaard weg kan glippen. De grote adviesbureaus hebben moeite binnen hun bedrijf alle onderzoekers en methodes op één lijn te krijgen.

Professor Brouwer beaamt dat het voor veel bedrijven moeilijk is om alle procedures volgens de regels uit te voeren vanwege de krappe marges. ,,Een analyse kost al gauw 30.000 à 40.000 gulden, dat moet je er wel uit weten te halen.''

Naar aanleiding van het rapport `Wie betaalt, bepaalt' van de Rotterdamse politie klinken ook vanuit de milieu-adviesbranche zelf geluiden om meer controle en kwaliteitswaarborging van buitenaf. De verhalen over onbetrouwbare bureaus, over nep-rapporten en andere vormen van milieucriminaliteit zijn niet nieuw. Hoewel ook binnen de branche al verschillende kwaliteitssystemen bestaan, beperken deze hun controle tot de technische procedures. Eens per jaar nemen zij steekproeven. R. van Eck, hoofd juridische zaken van de Raad voor Accreditatie geeft toe dat als bedrijven willen frauderen en dit goed doen, de raad dit niet te weten komt.

De Vereniging van Milieukundigen (VVM) meent dat er snel iets moet gebeuren om het mogelijke gesjoemel in de branche tegen te gaan, al was het alleen al om het vertrouwen in de milieu-adviesbureaus te herstellen.

,,Dit soort rapporten is de dood in de pot voor de gehele branche'', meent voorzitter J. Kam van de VVM. Hij pleit, evenals Brouwer, voor een extern bureau van deskundigen, zoals hoogleraren en milieubeleidsmakers, die niet bij de directe uitvoering van de onderzoeken betrokken zijn.