Einde van een periode

Op 19 maart 1920 verwierp de Amerikaanse Senaat het verdrag van Versailles, dat een eind maakte aan de Eerste Wereldoorlog, en het handvest van de Volkenbond, het geesteskind van president Woodrow Wilson. Hiermee veroordeelde de Senaat de Verenigde Staten, in de woorden van de historici Allen Nevins en Henry Steele Commager, tot jaren van ,,steriel en onheroïsch isolationisme''.

Het is niet overdreven hiermee het besluit te vergelijken waarmee de Senaat op 13 oktober 1999 het kernstopverdrag verwierp. De betekenis van dit besluit overtreft verre de op zichzelf al kwalijke gevolgen die dit zal hebben voor de verspreiding van kernwapens. Vele landen is hiermee immers het groene licht gegeven hun eigen nucleaire arsenaal te perfectioneren.

Maar dit is slechts het directe gevolg van het Senaatsbesluit. Historisch gezien, hebben de Verenigde Staten een waterscheiding bereikt in hun verhouding tot de rest van de wereld. Zij dreigen terug te keren tot de jaren na 1920, toen zij die rest van de wereld de rug toekeerden. Aan die jaren kwam een eind in 1941, toen de Verenigde Staten de Tweede Wereldoorlog intraden.

Daarna vervielen zij niet in de fout van 1920. Integendeel, aan hun interventies is de vorm die de wereld gedurende de afgelopen halve eeuw heeft aangenomen, grotendeels toe te schrijven, en al waren niet al die interventies gelukkig, het resultaat was toch dat er in 1989 een eind kwam aan de Koude Oorlog. Aan die periode van Amerikaans engagement lijkt nu een einde gekomen te zijn.

Nu zal de breuk van 1999 niet zo abrupt zijn als die van 1920. De talloze verdragen die de Verenigde Staten in die periode van engagement hebben gesloten, maken dat alleen al onmogelijk. Maar verdragen zijn lege hulzen als de belangrijkste verdragsgenoot een soort stille vennoot wordt. Op de Amerikaanse inspiratie die de laatste vijftig jaar heeft getekend, zullen we niet al te veel meer kunnen rekenen, en er is geen mogendheid die, wat dat betreft, die functie kan overnemen. Ook Europa niet – dat eerst nog moet ontstaan.

Betekent dit een terugkeer tot het Amerikaanse isolationisme van tussen de twee wereldoorlogen? President Clinton heeft dit woord gebruikt in zijn reactie op het Senaatsbesluit, en in vele andere reacties duikt het voortdurend op. Toch is dit een te oppervlakkig woord om aan te duiden wat er nu – en eigenlijk al sinds het einde van de Koude Oorlog – gaande is in de Verenigde Staten.

Zeker, er was altijd, ook in de jaren van engagement, een onderstroming van heimwee naar de tijden dat de Amerikanen zich niets van de rest van de wereld hoefden aan te trekken. George Washington, de vader des vaderlands, waarschuwde in zijn afscheidsrede al voor `buitenlandse verstrikkingen', en dat woord is in het collectieve onderbewustzijn blijven hangen.

Maar er is één groot verschil tussen nu en 1920. Toen keerden de Verenigde Staten niet alleen terug tot een politiek van isolationisme, maar deden ze ook grotendeels afstand van de militaire middelen die hun superioriteit of hegemonie hadden kunnen vestigen. Nu zijn zij 's werelds sterkste militaire macht, en de weigering van de Senaat af te zien van kernproeven, bewijst dat de Amerikanen niet van plan zijn die superioriteit op te geven.

Waar machtsmiddelen aanwezig zijn, bestaat ook altijd de verleiding er, zo nodig, gebruik van te maken – al was het slechts politiek gebruik. Daarom is met het woord isolationisme de toestand van vandaag niet afdoende beschreven. Een beter woord is unilateralisme, de neiging om alleen, zonder overleg met de bondgenoten, op te treden waar het Amerikaanse belang dat, in de ogen van Witte Huis en Congres, vergt.

Die neiging was al lang bespeurbaar. De noodzaak tot bondgenootschappelijke solidariteit waartoe de Koude Oorlog had gedwongen, was na het einde daarvan afgenomen – een gevolg dat bijna natuurlijk, in elk geval te voorzien was. Weliswaar zijn er sindsdien geallieerde acties geweest, maar de Amerikaanse leiding ervan werd steeds duidelijker, ja onverbloemder.

Dat Amerikaanse unilateralisme is nu in het Senaatsbesluit van vorige week 't meest onverbloemd naar voren getreden. Van de regering-Clinton, die nog maar iets meer dan een jaar heeft te gaan, kan niet verwacht worden dat zij er voldoende weerstand aan zal bieden. Daarvoor is de nederlaag die zij met dit besluit geleden heeft te groot. En daarvoor is de president zelf misschien ook te opportunistisch.

De rest van de wereld, en de bondgenoten in de eerste plaats, zal daar rekening mee moeten houden. De Europees-Amerikaanse betrekkingen gaan `turbulente tijden' tegemoet, zei de Duits-Amerikaanse historicus Fritz Stern zondag bij de uitreiking van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel in Frankfurt.

Kortom, de zorgeloosheid waarmee minister Van Aartsen in zijn Memorie van Toelichting over de transatlantische relatie spreekt, lijkt nu al achterhaald. Niet dat hij er nu dadelijk bezorgde uitspraken over moet doen – dat zou het proces van transatlantische vervreemding slechts bespoedigen – maar hij kan wel zijn ambtenaren alvast de opdracht geven zich op de nieuwe situatie te bezinnen.

Maar zoals president Clinton met een Congres zit dat hem tegenwerkt, zo niet vleugellam maakt, heeft Van Aartsen in de Tweede Kamer te maken met partijgenoten die blijkbaar van mening zijn dat er niets aan de hand is en Nederland, zoals het altijd gedaan heeft, wat zijn veiligheidsbeleid betreft alles op de kaart van de Verenigde Staten kan blijven zetten.

Maar die tijden zijn voorbij.