Een ketterse rechter

ls rechters op een zitting van de rechtbank met de ogen gesloten naar de officier, de verdachte en diens raadsman luisteren hoeft men niet onmiddellijk te denken dat ze zijn ingedommeld. Er is een gerede kans dat ze er met heel hun hoofd bij zijn en zich juist concentreren om de feiten, zoals ze die zojuist gehoord hebben, te herschikken, en zelfs al op een concept-uitspraak broeden. De voormalige president van de Haagse rechtbank en staatsraad mr. H. Blaauw verdeelt de belangrijkste kwaliteiten waaraan een rechter zijns inziens moet voldoen in drie categorieën: dossierkennis, het vermogen tot luisteren en onbevooroordeeldheid. ,,In een gesprek (in de Raad van State) heb ik eens tegen vice-president Willem Scholten gezegd, dat ik als rechter geen godsdienstige overtuiging bezit en geen politieke overtuiging toegedaan. Hij keek mij met enige verbazing aan en zei zich dat niet te kunnen voorstellen''.

In die weergave van een paar zinnen is een wereld van verschil samengevat: het steile calvinisme van Scholten begreep niets van de joyeuze levensernst van de katholieke democraat Blaauw. De laatste legde uit wat hij de eerste had probeerde duidelijk te maken. Volgens Blaauw hoort een rechter zijn eigen overtuigingen af te leggen, ,,mits (deze) opereert in een democratische rechtsorde, want dan is het recht de bron van je handelen. Men moet dan wel begrijpen dat het recht meer is dan de wet, die immers slechts één van de bronnen is waaruit het recht voortvloeit. Het besef daarvan noem ik de innerlijke habitus van de rechter, die je creatief maakt en bij de tijd houdt''.

(Henk) Blaauw geeft in zijn zojuist verschenen memoires (Het kostbare van ons bestaan, Valkhof Pers, Nijmegen) een mooie inwendige beschrijving van het proces van oordeelsvorming dat zich afspeelt in het hoofd van een rechter die een ingewikkelde zaak voorzit. Het beschreven denkproces speelt zich weliswaar vooral in zijn eigen hoofd af, wat gegeven de subjectieve materie van het boek ook voor de hand ligt, maar dat wil niet zeggen dat het geen algemene strekking heeft. Blaauw verantwoordt meer dan eens wat hij in zijn leven van deze of gene collega heeft opgestoken – rechters leren veel van elkaar – zoals hij ook eer bewijst aan zijn ambtgenoten die hem in het vak hebben gevormd. Uiteraard hebben niet alle rechters dezelfde werkwijze, ze volgen zeker niet allemaal de betogen in de rechtszaal met de ogen dicht, maar ze oefenen wel allemaal – hun leven lang – op hun concentratietechniek, zoals ze zich er ook allemaal op toeleggen de feiten in hun vingers te krijgen.

Blaauw begon na de advocatuur als rechter in Roermond, daarna was hij vice-president in Breda, president van de rechtbank in Den Bosch, vervolgens president van de rechtbank in Den Haag en daarna nog lange tijd staatsraad in de afdeling rechtspraak van de Raad van State – dus ook weer rechter. Zijn terugblik op zijn professionele leven bevat zowel empirische verhandelingen over lastige rechtsvragen als kleurrijke kanttekeningen over de culturele verschillen tussen `het zuiden' en `het westen'. Het werk in Den Haag beviel hem uitstekend, maar de woonstad Den Haag miste alle aardigheid die hij in zijn vorige standplaatsen zo gewaardeerd had. Blaauw had heimwee naar de Brabantse bonhomie, maar ook naar de ontspannenheid van de zuidelijke arbeidsmoraal. Vroeger kon hij tijdens de lunchpauze nog wel eens een partijtje biljarten met een collega of schieten met een kruisboog, in Den Haag was het alleen maar ploeteren geblazen.

Deze bourgondische magistraat schaamt zich er niet voor zich een katholieke vierder van het leven te noemen, maar wie daaruit zou concluderen dat hier een vrolijke Frans aan het woord is, maakt een schromelijke vergissing. De schrijver doet zich kennen als een persoonlijkheid die de democratie hoogst serieus neemt. Aan zijn voorzitterschap van de selectiecommissie voor het aantrekken van jonge rechters voor de rechterlijke macht hebben we een belangrijk deel van de personele modernisering van de rechterlijke macht in de jaren zeventig te danken.

Zijn democratiebeschouwing culmineert in een streng stukje over het koningschap, dat ze op het Noordeinde wel heel ketters zullen vinden. Blaauw hangt dat op aan een anekdote uit zijn Roermondse periode. Koningin Juliana kwam daar een nieuw cultureel centrum openen en liet zich naar gewoonte als de eenvoud zelve kennen. ,,Het paste ook bij haar'', schrijft Blaauw, ,,dat wij haar mochten aanspreken met `mevrouw', gewoon en als het ware vanzelfsprekend. Eerlijk gezegd heb ik het altijd verbazingwekkend gevonden, en vind dat nog steeds, dat haar opvolgster `majesteit' genoemd wil worden.'' Blaauws zienswijze is bepaald niet revolutionair, er zijn ongetwijfeld een paar miljoen Nederlanders die er net zo over denken, inclusief staatsraden en rechters, maar het komt te zelden voor dat iemand met zo'n achtergrond zijn ongenoegen over dat potsierlijke gemajesteit opschrijft en publiceert.

In een zo gedemocratiseerde samenleving als de onze is de koningin, aldus Blaauw, ,,niet meer – en niet minder – dan draagster van het hoogste ambt, dat van staatshoofd, met uiteraard alle eer en waardigheid daaraan verbonden. Maar om dat ambt ook nog met een soort mystiek te omgeven [...] lijkt mij uit de tijd.'' Deze opvattingen over `de Majesteit' (hij is ook tegen een erfelijk staatshoofd) tekenen de man die spreekt zonder aanzien des persoons.

Bij dat alles lijkt deze oud-rechter vooral ook een aardige man resp. vader te zijn: een man die halverwege zijn loopbaan het presidentschap van de rechtbank in Arnhem liet lopen, omdat zeven van zijn acht kinderen op dat moment op verschillende middelbare scholen zaten. Zijn eer telde niet zo zwaar als zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. Kroost gaat voor carrière. Zo hoort het.