De antikinderarbeidlobby is failliet

De campagnes van organisaties ter bestrijding van kinderarbeid hebben geleid tot een toename van de kinderslavernij, meent Theo Knippenberg. Ieder kind zou recht op werk moeten hebben.

De jarenlange pogingen om kinderarbeid te bestrijden zijn op een fiasco uitgelopen. Het aantal werkende kinderen (circa 250 miljoen wereldwijd, waarvan de helft fulltime werkt) is opnieuw gestegen. Ook is het percentage kinderen dat gedwongen werkt onder zeer slechte omstandigheden (meer dan 5 procent van het totaal) verder toegenomen. Er werken nu meer kinderen als lastdier, huishoudslavinnetje, kinderprostitué of in andere vormen van lijfeigenschap, dan ooit tevoren. Die toename heeft ongetwijfeld te maken met de economische recessie in Azië, waar ruim tweederde van de werkende kinderen woont. De geconstateerde verschuiving naar kinderslavernij is eerder een rechtstreeks gevolg van de goedbedoelde campagnes tegen kinderarbeid van Westerse organisaties.

We hebben onze les kunnen leren in Bangladesh, waar Amerika onder druk van de vakbonden en de publieke opinie in 1995 dreigde met een importstop van Bengaalse kleding als de overheid kinderarbeid niet zou aanpakken. Het gevolg was dat een aantal Amerikaanse bedrijven zich direct uit Bangladesh terugtrok. Uiteindelijk stonden meer dan 50.000 kinderen onder de 14 jaar op straat.

Van hen konden er 10.500 geregistreerd worden. Zij zouden via een speciaal `kinderopvangprogramma' van UNICEF en de ILO de mogelijkheid krijgen naar school te gaan en drie jaar lang een maandvergoeding te ontvangen als compensatie voor de gemiste inkomsten. Slechts 4.000 van hen hebben zich uiteindelijk ingeschreven bij een school, wat nog (te) veel was omdat er toen hooguit 180 scholen in Bangladesh waren. Bij een onderzoek onder 700 van de kinderen, een jaar later, bleek er nog maar één naar school te gaan. Het overgrote deel doet nu gevaarlijker en slechter betaald werk en is in de goot of in de prostitutie beland. Bovendien is een deel van de textielindustrie, een van de belangrijkste bedrijfstakken van Bangladesh, voorgoed uitgeweken naar India, waardoor ook veel arbeidsplaatsen voor de ouders van de kinderen verloren zijn gegaan.

Vijf jaar geleden werkten er dus ruim 50.000 kinderen in Bangladesh onder tamelijke veilige omstandigheden in de textielindustrie, die bekend stond als een van de best betaalde en meest in aanzien staande branches in dit straatarme land. Toen kwamen de `goede bedoelingen' van UNICEF, de ILO, Westerse vakbonden en actiegroepen of van een geschokt publiek dat geen producten wilde waar kinderhandjes bij betrokken waren. Blind voor de feiten hebben veel organisaties dit voorbeeld klakkeloos nagevolgd. En nog steeds valt van veel organisaties weinig anders te verwachten dan ongenuanceerde campagnes `tegen kinderarbeid', eigenlijk alleen bedoeld om donateurs en fondsen te werven. Vooral sinds vorig jaar bij een landelijke enquête bleek dat `kinderarbeid' voor de Nederlanders de grootste wantoestand is, baseren veel Nederlandse organisaties hun fondsenwerving nog steeds graag op `hun strijd tegen kinderarbeid'.

Nog steeds roepen organisaties op tot een boycot, hoewel de desastreuze gevolgen hiervan voor de betrokken kinderen allang bekend zijn. Zelfs politieke partijen hebben deze populistische arena intussen betreden. Zo is de SP vorig jaar een boycotcampagne begonnen tegen Ikea, waarbij zij van Ikea de garantie eiste dat er nooit meer kinderen bij de productie van Ikea-artikelen betrokken zouden zijn. Een ondoordachte eis waarop Ikea nooit zal kunnen ingaan. En een erg ondoordachte actie, want de SP had geen enkel basisplan om de ontslagen kinderen op te vangen, te begeleiden, scholing te geven of wat dan ook.

Dit soort campagnes beperkt zich tot die vormen van kinderarbeid waarvan wij hier de producten zien, die we hier kunnen boycotten. Maar het overgrote deel van kinderarbeid speelt zich af rond producten en dienstverlening door kinderen die hier nooit zichtbaar worden. Miljoenen heel jonge meisjes werken als huishoudslavinnetjes onder onvoorstelbare omstandigheden, inclusief seksuele dienstbaarheid aan de man(nen) des huizes.

Westerse consumenten willen kinderarbeid het liefst afdoen in één actie, een boycot of een keurmerk. Daarop speelt bijvoorbeeld het `tapijt-keurmerk' handig in. Dit gaat echter uit van het belang van de consument (die een tapijt zonder kindervingertjes wil) en wentelt de lasten (ontslag) af op de producenten, de kinderen.

Natuurlijk beweren de tapijtkeurmerk-handelaren dat een (miniem) deel van de opbrengst bij de kinderen terechtkomt. Maar bij welke kinderen? In het eerder genoemde voorbeeld van Bangladesh heeft de ILO 25 teams het land in gestuurd om de betrokken kinderen te registreren. Bij maar 20 procent van de kinderen is dat gelukt, en zelfs die groep was binnen een jaar uit zicht verdwenen. Bij het tapijtkeurmerk is er nooit zicht geweest op de ontslagen kinderen, alleen op enkele honderden bevrijde en opgevangen kinderslaven. Het is dan ook hoogst twijfelachtig dat er ooit een cent van zo'n `kindvriendelijk' tapijt terechtgekomen is bij de ontslagen kinderen. Tegelijk wordt er geschermd met de abominabele werkomstandigheden in de tapijtindustrie. Terecht, maar ligt het dan niet meer voor de hand om te proberen die omstandigheden voor alle werknemers te verbeteren, in plaats van alleen de kinderen eruit te halen? En in welke omstandigheden verkeren deze kinderen nu? In ondergrondse mijnen, gloeiende glasovens, of in bordelen?

Het recht op werk hoort een van de basisrechten van een kind te zijn. Zeker als werk de enige manier is om te overleven, om een menselijke toekomst te hebben. Het gaat om de vraag hoe kinderen mogen werken, met welke rechten en zekerheden.

Zolang het Westen zijn ontwikkelingshulp procentueel jaarlijks vermindert in plaats van drastisch verhoogt, zolang de rijke landen steeds rijker worden en de arme landen steeds armer, zolang hebben wij niet het recht om kinderen in arme landen hun toch al schamele bestaan te ontnemen, en hen tot slavernij te veroordelen, hoe goed onze bedoelingen ook zijn.

In 1995 heeft Child Right actie gevoerd tegen de betrokkenheid van kinderen bij het maken van voetballen in Sialkot in Pakistan. Onze eis was dat de kinderen in Sialkot minder uren zouden hoeven werken, in betere omstandigheden, dat ze daarbij onderwijs kregen, medische verzorging en tijd om te spelen. De verwachting was dat de grote voetbalproducenten als Adidas, Mitre, Nike, Reebok onder druk van gerenommeerde voetballers bereid waren een `keurmerk' te accepteren met de garantie dat deze bal door een kind gemaakt is onder goede omstandigheden. Een minimale afdracht van de hoge winstmarges op deze ballen zou het leven van de betrokken kinderen zelf ten goede veranderen.

Na onze eerste hoopgevende contacten met de grote voetbalmerken, heeft de ILO de onderhandelingen overgenomen. Hun inzet was een totaalverbod op kinderarbeid in de voetbalproductie. En dat is ze helaas gelukt. Want vorige maand maakte de Pakistaanse regering bekend dat het aantal kinderen in de voetbalindustrie met 95 procent is afgenomen. Wat er met die tienduizenden ontslagen kinderen is gebeurd weet niemand. Wel gaf de regering toe dat ook in Pakistan het aantal werkende kinderen (circa 10 miljoen) verder is toegenomen, en dat hun werkomstandigheden niet zijn verbeterd. Een deel van de productie van voetballen is nu naar India verschoven. Kinderen die uit de tapijtindustrie gered zijn, vinden er nu emplooi.

Steeds meer mensen vragen zich af of kinderarbeid nu werkelijk zo erg is. Bovendien is naar school gaan en een diploma halen in de weet er later geen werk mee te kunnen vinden zinloos. Een kind uit de laagste kaste in India krijgt nog steeds zo goed als nooit een baan als ambtenaar, ook al kan hij of zij nog zo goed lezen en schrijven. De combinatie van werken en leren lijkt dan ook een veel betere combinatie te zijn.

Natuurlijk is leren lezen en schrijven uiteindelijk het belangrijkste. Het is voor een kind de toegang tot eigen informatie. Het maakt mondig en weerbaar. Het is zelfs de sleutel voor de economische groei van een heel land, zoals bijvoorbeeld in Hongkong en Singapore is gebleken. Maar het lijkt in de praktijk steeds minder haalbaar. Steeds minder zijn de rijke landen bereid om te investeren in de bestrijding van het analfabetisme in de arme landen. Want niet alleen moet daarvoor een enorme infrastructuur in het onderwijs worden opgebouwd, maar tegelijk moeten al die kinderen ook nog eens voldoende gevoed en medisch verzorgd worden, en moeten hun ouders in staat gesteld worden om zonder aanvullend kinderloon van hun gezinsinkomen te overleven.

Nu de ontwikkelingshulp van de rijke landen steeds verder terugloopt, lijkt het zogenaamde `niet-formele deeltijdonderwijs' het enige alternatief. Deze mogelijkheid om naast leren te werken, daarmee een bijdrage te leveren aan het gezinsinkomen of het eigen bestaan, en daardoor tegelijk een vak te leren, geeft kinderen een veel betere kans op een menswaardig leven dan een door het Westen geëist verbod op kinderarbeid, zonder Westerse hulp om naar school te kunnen gaan.

Van de grote hulporganisaties met hun tienduizenden ontwikkelingswerkers valt voor zo'n vorm van hulp voorlopig weinig te verwachten. Al is het alleen maar omdat de ongenuanceerde opstelling `tegen kinderarbeid' makkelijker verkoopt en dus meer geld opbrengt dan het toegeven dat hun acties in de afgelopen jaren voor zoveel kinderen een regelrechte ramp zijn geweest. Meer impact is te verwachten door acties van het bedrijfsleven waar zich een duidelijke omslag aftekent in `sociaal bewustzijn'. Een goed voorbeeld van die omslag is het `bekeerde' C&A, tot voor kort bekend als een `slecht' bedrijf qua kinderarbeid. Uiteraard zal C&A nooit, evenmin als Ikea, garanderen dat er nooit een kind bij de productie betrokken zal zijn. Maar C&A is wel op verschillende manieren positief met dit probleem bezig. Enerzijds is het nauw gelieerd aan een groot privé-fonds (Benevolentia), dat zich inzet voor verbetering van de situatie van kinderen wereldwijd, en dat veel doet aan onderwijs en opleiding. Anderzijds worden toeleveringsbedrijven waar kinderen bij de productie worden aangetroffen door C&A's eigen inspectiedienst gedwongen donateur te worden van een plaatselijke school of een kinderdagverblijf op te zetten.

Spijkerbroekenfabrikant Levi-Strauss is nog verder gegaan met een beleid om kinderen die in de productie werden aangetroffen een opleiding aan te bieden met de zekerheid van een baan na die opleiding. Toch blijft het effect van dit soort inspanningen vrijwel nihil zolang alle publieke aandacht gericht blijft op het verbieden van elke vorm van kinderarbeid. Tegelijk moeten we de werkende kinderen het recht geven zichzelf te organiseren, om hun mondigheid en zelfredzaamheid te vergroten. Bovenal moeten we in de armste landen streven naar zoveel mogelijk banen voor kinderen, onder fatsoenlijke omstandigheden.

Alleen het bedrijfsleven kan dat waarmaken. We moeten daarom die bedrijven die hun producten uit de arme landen halen, overtuigen van de sociale noodzaak om kinderen onder goede en gecontroleerde omstandigheden te laten werken. Als loon daarvoor moeten de kinderen, naast een bescheiden vergoeding ter aanvulling van het gezinsinkomen, behoorlijke maaltijden krijgen, alsmede medische verzorging, algemeen onderwijs en een vakopleiding.

Theo Knippenberg is verbonden aan ChildRight Worldwide.

Meer dan ooit werken kinderen als prostitué