Coöperatieve fusie

EEN DECENNIUM DAT voor de Nederlandse financiële wereld begon met een unieke Nederlands-Belgische fusie (verzekeraars Amev en AG, nu Fortis) lijkt nu te eindigen met een alliantie van de coöperatieve Rabobank, de grootste bank in Nederland, met de Duitse coöperatieve DG Bank. Lijkt te eindigen, want de internationale fusiegolf die wordt aangewakkerd door de introductie van de euro, harmonisatie van de Europese interne markt, versoepelde wetgeving in Amerika, de uitdaging van grote investeringen in Internet en de angst om achter te blijven, is zeker nog niet voorbij. Na tien jaar fusies staan vier (gedeeltelijk) Nederlandse financiële instellingen in de Europese toptwintig, gerangschikt naar hun waarde op de effectenbeurs: Aegon, ING, Fortis en ABN Amro. De Rabobank is een coöperatie zonder beursnotering en staat niet in dit lijstje. Zij heeft wel een internationale reputatie als de enige overgebleven particuliere bank ter wereld met het hoogste rapportcijfer voor kredietwaardigheid. Mede dankzij deze vijf financiële reuzen kan Nederland aanspraak blijven maken op een plaats tussen de internationale monetaire kopstukken.

Dat de Rabobank als laatste grote Nederlandse financiële instelling uitbreidt in Europa, hangt nauw samen met haar structuur als coöperatie. In slechte economische tijden staat het fijnmazig netwerk van de lokale zelfstandige banken zijn mannetje. Pofiterend van hun lokale kennis kunnen de coöperatieve banken klanten met problemen langer de hand boven het hoofd houden dan de ,,speculatieve banken'' uit de Randstad. De coöperatie uit de provincie heeft wel formidabele financiële reserves, maar geen aandeelhouders die dividend eisen. De Rabo is naast bijna-monopolist in de agrarische wereld de dominante bank geworden in het midden- en kleinbedrijf. Met de Postbank wedijvert zij om de eerste plaats onder particulieren. De economische marktaandelen vonden eerst hun politieke weerspiegeling in het ,,groene front'' en later in het ,,maatschappelijke middenveld'' met leiders als ex-Europees Landbouwcommissaris Lardinois en CDA-prominent Wijffels.

IN FLORISSANTE economische tijden en onophoudelijke beurshausse wordt Rabo's voorsprong een achterstand. Zij mist aandeelhouders en kan niet naar de effectenbeurs om kapitaal aan te trekken voor spectaculaire overnames. In Nederland heeft zij bijna alle vergelijkbare instellingen, zoals vermogensbeheerder Robeco, aan zich gebonden, met fusies op basis van gelijkwaardigheid, waarin de Rabobank uiteindelijk aan het langste eind trok. Alleen Achmea wilde niet. Voor een bank wier leiders gewend waren te denken in termen van ,,natuurlijke marktaandelen'' van ten minste dertig procent, heeft de euro echter alles op zijn kop gezet. Om niet gemarginaliseerd te worden als provinciale bank in Europa bundelt zij nu haar krachten met een partner uit het dominante Europese land, tevens de grootste handelspartner van Nederlandse bedrijven. Dat past in de coöperatieve filosofie om de klanten te dienen. De vorm van de krachtenbundeling, nu eerst een, maar straks verscheidene joint ventures, liefst met verscheidene partners, is ook een test voor Europese samenwerking. Verschillen in omvang, cultuur en taal zijn in politieke samenwerking steevast vertragende hobbels, maar extra tijdverlies kunnen deze banken zich niet permitteren.