BUSINESS CENTRAL EUROPE

De Polen en Tsjechen maken ruzie over suiker, de Balten bakkeleien met de Russen over varkens, en de Hongaren zitten de Polen in de haren over pluimvee. Niks nieuws onder de zon, zij het dan dat in de betrokken landen langzamerhand de vraag rijst hoeveel profijt ze nu eigenlijk hebben van de grootschalige handelsliberalisering sinds 1990.

Volgens Business Central Europe krijgt het debat hierover ook voeding uit het Westen, waar de economische beleidsmakers delibereren over de oorzaken van de economische crisis in Azië en Rusland. Topeconoom Joseph Stiglitz van de Wereldbank en zijn bentgenoten bijvoorbeeld betogen dat de liberalisering van de handel in Centraal-Europa te overhaast is verlopen en dat er veel te weinig aandacht is besteed aan het organiseren van instellingen en voorzieningen die kunnen voorkomen dat de liberalisering uitloopt op chaos. De UNCTAD bijvoorbeeld is het eens met die waarneming en wees er in een recent rapport op dat India en China, waar de liberalisering van handel veel minder snel gaat, de enige ontwikkelingslanden zijn die niet te lijden hebben van de crisis.

Het grootste probleem van de Centraal-Europese landen bestaat uit de omvang van hun handelstekorten en het gebrek aan evenwicht op hun betalingsbalans. Toch zijn ze nog steeds wars van protectionisme. En dat moet ook wel gezien hun locatie, hun omvang en hun wens om lid te worden van de Europese Unie. Want, zo citeert het blad Bismarck, vrije handel zal altijd een wapen zijn voor de sterkste natie. Een ander wapen bestaat uit het toepassen van strenge antidumpregels. De VS bijvoorbeeld hebben de import van staal uit Rusland en de Oekraïne volledig stopgezet, omdat deze landen zich schuldig zouden maken aan dumping.

Als de liberalisering van handel blijft gehandhaafd – en daar ziet het wel naar uit – dan zullen de Centraal-Europese landen veel blijven kopen van hun rijke buren, zodat handelstekorten onvermijdelijk blijven. De enige manier om daar wat aan te doen is het voeren van een voorzichtig wisselkoersbeleid, naar het voorbeeld van Hongarije en Polen. Weliswaar ontstond daardoor in die landen een lichte inflatie, maar de export bleef er op peil.

Business Central Europe is verkrijgbaar in de kiosk.

www.bcemag.com

THE NIKKEI WEEKLY

De belangrijkste les van de twintigste eeuw is dat economische en militaire macht geen goede combinatie vormen, en dat het onmogelijk is om welvaart voor je land na te streven door de militaire macht uit te bouwen. Dat idee is een typisch product van het moderne Westen, meent Heita Kawatsu, hoogleraar economische geschiedenis in Kyoto, in The Nikkei Weekly. Japan was het eerste niet-Westerse land dat dit Westerse idee omarmde, met alle gevolgen van dien.

Japan verloor de oorlog, liet daarna de militaire zaken over aan de VS, en concentreerde zich op de ontwikkeling van de economie. Daardoor is Japan nu deel van het Amerikaanse beleid, dat bestaat uit economische ontwikkeling gebaseerd op militaire macht. De VS zijn de enige supermacht in de wereld en tegelijkertijd de grootste schuldenaar.

De auteur stelt vast dat het aantal kleine onafhankelijke staatjes in de wereld is gegroeid en voorziet dat dit zal blijven groeien. De identiteit van volken die een natiestaat vormen is een verschijnsel dat op het Euraziatische continent goed ontwikkeld is, vanwege de eeuwenlange internationale betrekkingen, maar niet op de eilandengroepen in het Pacific-gebied van Japan tot Australië. De auteur pleit er voor dat Japan geen keuze maakt tussen oosterse en westerse cultuur, maar een eigen weg zoekt gebaseerd op het idee dat een eiland bij uitstek geschikt is voor de ontwikkeling van een nationale identiteit. De Japanse archipel zou dan een gemeenschap van eilanden moeten vormen die allemaal een zekere zelfstandigheid krijgen. Hij meent dat de grootte van de verschillende eilanden zelfstandigheid niet in de weg staat, en verwijst daarbij naar Taiwan en Nederland. Hij herinnert er aan dat het eiland Kyushu in de negentiende eeuw nog een eigen munt had. Ten slotte bepleit hij de vorming van een soort Oceanische Republiek van Eilanden, waarbij Japan het centrum van het noorden en Australië het centrum van het zuiden zou moeten worden. Dit als tegenhanger van Noord- en Zuid-Amerika en de Europese Unie.

The Nikkei Weekly is verkrijgbaar

in de kiosk.

www.nni.nikkei.co.jp

THE ECONOMIST

Te pas en te onpas houden politici en economen ons voor dat we in een kenniseconomie leven. Dat is mooi, schrijft The Economist, maar er zijn weinig feiten en cijfers bekend over wat die kenniseconomie precies inhoudt, want het is nu eenmaal moeilijk om de waarde te meten van ideeën. Gelukkig is er nu een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Onwikkeling (OESO) dat in de behoefte aan cijfers voorziet en tegelijkertijd wat sprookjes uit de wereld helpt.

Om te beginnen: niet Amerika heeft, zoals we vaak denken, de grootste kennisindustrie, maar Duitsland. Zelfs de Amerikaanse hightechsector, waarvan iedereen denkt dat hij straatlengten voorligt op die van andere landen, komt volgens de OESO op de derde plaats, achter Japan en Engeland. Zweden is het land dat het meeste investeert in kennis, te weten 10,6 procent van het bruto binnenlands product. Zweden is ook het land met de hoogste uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, gevolgd door Frankrijk. Ook hier blijven de VS achter. Dat komt omdat de Amerikaanse overheid zo weinig uitgeeft aan onderwijs.

Natuurlijk valt er best wat aan te merken op het OESO-rapport, bijvoorbeeld het feit dat de definitie van kenniseconomie bepaald niet perfect is, maar die tekortkomingen nemen niet weg dat het rapport meer zegt over de kenniseconomie dan het eindeloze gemeier van managementgoeroes.

The Economist is verkrijgbaar in

de kiosk.

www.economist.com