Anima Mundi

Het lijkt nog het meest op een beker koude pap, zeggen ze, het menselijk brein in de geopende schedel. Ik heb het nooit gezien, maar de plaatjes doen me niet aan een beker pap denken, eerder aan een walnoot of een bord met kronkelende wormen, of een gebogen foetus met de voorhoofdskwab als hoofd, en is die voorhoofdskwab bij nader inzien niet precies de denker van Rodin?

De dwarsdoorsnedes van het brein zijn als rorschachtests, de grillige inktvlekken waar iedereen zijn eigen associaties bij heeft. Maar wat je ook ziet, je ziet niet het bewustzijn.

En ook de hersenonderzoeker ziet het niet. Hij weet steeds meer over de wonderbare machine in ons hoofd die signalen van buiten omzet in elektrische stroompjes, en hij kan vaak goed voorspellen wat er gebeurt als hij het elektrische netwerk op een bepaalde plaats kapot maakt, maar hoe het kan dat de materie bewustzijn heeft, daar weet ook hij niets van. Het bewustzijn is een wonder dat niet kan bestaan, maar het is evident dat het wel bestaat.

Waar ligt het aan? De mensen van de kunstmatige intelligentie zeggen dat het niet aan de aard van de stof ligt, maar aan de functionele organisatie. Het brein zou nagebouwd kunnen worden met heel andere materialen. Met computerchips bijvoorbeeld, maar ook anders. De informatie hoeft niet per se in de vorm van elektrische stroompjes te worden doorgegeven. Douglas Hofstadter opperde dat een gigantisch kanalensysteem van stromend water, met poortjes die het water al of niet zouden doorlaten, ook bewustzijn zou hebben, als het maar ingewikkeld genoeg was. Het zou veel te groot zijn om echt gebouwd te kunnen worden, maar daar gaat het nu niet om.

Een groot en ingewikkeld systeem dat niet gebouwd hoeft te worden omdat het er al is, is het heelal. Het is groot genoeg om bewustzijn als eigenschap te hebben, daar kan geen twijfel aan bestaan, maar is het ook samenhangend genoeg? De natuurkunde van de afgelopen twintig jaar suggereert dat dit inderdaad zo is.

Ik ben voorzichtig. Het zou makkelijk zijn om wat te goochelen met het beroemde experiment dat bedacht is door Einstein, Podolsky en Rosen, te praten over telepatisch contact tussen elementaire deeltjes die miljoenen lichtjaren van elkaar verwijderd zijn en zo de indruk te wekken dat het al bijna bewezen is dat het heelal bezield is. Het zou demagogie zijn. Voorzichtig zeg ik dat het alleen maar plausibel is dat het heelal een gigantisch brein is, waar wij een bouwsteentje van zijn, zoals een zenuwcel een bouwsteen is van ons brein. Het ligt voor de hand om dat grote brein God te noemen, want wie of wat anders zou die naam kunnen verdienen?

Niets van wat ik hiervoor gezegd heb is origineel. De wat plechtige titel van dit stuk, Anima Mundi, wereldziel, heb ik juist gekozen om te laten zien dat de gedachte van een bezield en bewust heelal oud en respectabel is. Het zou dwaas zijn om in dit soort zaken originaliteit na te streven. Het is geen kunst om excentrieke godsbeelden te verzinnen als een vorm van speelse science-fiction. Het gaat me niet om originaliteit, maar om de waarheid.

De gedachte dat het heelal een brein is met bewustzijn is misschien vreemd, maar niet vreemder dan de gedachte dat de beker koude pap in ons hoofd bewustzijn heeft. Is het mogelijk om wetenschappelijk te onderzoeken of het heelal bewustzijn heeft? In principe natuurlijk wel. Het is geen metafysische kwestie, net zo min als het onderzoek naar ons eigen bewustzijn. Maar een principe is nog geen praktijk. Zou een zenuwcel ooit kunnen bevroeden wat zich afspeelt in het menselijk brein waarvan de cel een deel is? We moeten de analogie niet te ver doordrijven. De mens is wel vaker dingen aan de weet gekomen die op het eerste gezicht ondoorgrondelijk leken.

Voorlopig is de God die hier geschetst is nog niet een onderwerp van wetenschappelijke studie, maar van geloof.

De religie van de wereldziel heeft vele voordelen boven de traditionele religies. Ze zal zeker toleranter zijn, omdat het duidelijk is dat niemand hier de waarheid in pacht kan hebben en dat iedereen zijn eigen symbolen en metaforen kan kiezen om de wereldziel te verbeelden. Er hoeft ook niet voortdurend een knarsend compromis tussen wetenschap en religie gevonden te worden, zoals in de geschiedenis van de christenen. In de religie van de wereldziel kan wetenschap nooit een bedreiging zijn.

Wat er vaak tegenin gebracht wordt, is dat het een te theoretische religie is, die emotioneel niet kan bevredigen. Een gedachtespinseltje van mager allooi.

De christen bidt tot God de Vader. Hij weet dat God geen mens is en ook niet een supermens, en dat zijn voorstelling hopeloos inadequaat is, maar tot zijn vermenselijkte God kan hij in ieder geval bidden. En waar komen wij mee aan om die Vader te vervangen? Symbolen van niks. Ik heb het over computerchips gehad, over een waterwerk met poortjes en over de wereldziel, die eerlijk gezegd een beetje doet denken aan een ijl gas dat zich door het heelal verspreidt. Het lijkt meer op spiritistische hocus-pocus dan op een werkelijke religie.

Maar zo hoeft het toch niet te zijn. De God van dit stukje, het bezield heelal, is de God die door de dichter Leo Vroman wordt toegezongen in zijn psalmen en daar Systeem heet, om haar te onderscheiden van de God, de Heer of ander Woord waarvan men gave en gebod \ en wraak wacht en tot wiens genot \ men volkeren vermoordt.

Bij Leo Vroman is er wel degelijk een emotionele toenadering tot het Systeem mogelijk:

En nu ik ook om iedere steen

zo graag mijn armen sper,

zo maar om een rotsblok heen

en even in haar barstje – neen,

dat gaat Ons toch te ver?