Wat anders

Iedereen weet dat er twee soorten mensen zijn. De ene soort houdt van wat hij kent, de andere wil graag iets nieuws proberen. De ene soort trouwt met zijn buurmeisje, de andere vliegt rusteloos rond tot hij een onmogelijk type heeft gevonden dat hem dagelijks voor verrassingen plaatst. De eerste soort schrikt zich rot als zijn vrouw aan tafel zegt: moet je dit eens proeven. (Moedeloos vraagt hij: is er niks gewoons te eten?) De andere soort weet precies wat het gezin lekker vindt, maar verrast het telkens opnieuw met hapjes die het nooit eerder heeft gegeten. Leuk, weer eens wat anders.

Wanneer heeft het begrip `variatie' toch zijn huidige sterrenstatus bereikt? Sinds wanneer krijgt de rusteloze mensenhelft voortdurend zijn zin, en hangt aan het idee van afwisseling een zegel van morele goedkeuring, alsof de Nederlandse Bond van Huisvrouwen het óók vindt: doe vooral vaak iets anders? Wie een nieuwbouwwijk – een landschap, een muziekstuk – wil uitschelden, noemt het eentonig. Wie gek wordt van de stress, krijgt van zijn omgeving de raad om eens een reisje naar Lapland te maken, in plaats van het verstandige advies om thuis uit te rusten.

Variatie is de obsessie van een verveeld volk. Panische angst voor monotonie, terwijl die zo troostend kan zijn. Precies te weten hoe het tuinhekje zal piepen als je straks thuiskomt na een dag werken, te weten hoe de stamppot zal smaken, hoe laat je in je vertrouwde bedstee zult klimmen – en met wie: sommige mensen noemen dat levensgeluk.

Variatie is natuurlijk gewoon handel. Sombere voorspellingen dat de mensheid in het jaar 2000 zou leven in woonkazernes, gekleed in unisexpakken, en eensgezind astronautenvoedsel zou nuttigen, zijn geloochenstraft door de commercie. Die weet al lang dat je meer geld verdient als je vierentwintig soorten snoep verkoopt, dan met een of twee. En trouwens, dat de mensen die graag af en toe `wat anders' willen, meer geld uitgeven dan de behoudende helft. Dus.

Dus staan gewenning en vertrouwdheid niet hoog aangeschreven. Niemand komt tegenwoordig op het idee om zijn liefde te bezingen met de woorden van een liedje uit de jaren vijftig: I've grown accustomed to her face. Ik ben gewend aan haar gezicht: nou zeg. Toch zijn er weinig dingen die zo'n band scheppen als lang samen te zijn. Het is iets primitiefs, een effect dat bij de een misschien sterker is dan bij de ander. Maar dat er een gebied is in de ziel waar gewenning en liefde niet goed te onderscheiden zijn is zeker, al willen moderne oren het niet horen. En wat dat gezicht betreft: iedereen die wel eens een nieuw vriendje heeft gekregen weet dat het even schrikken is, als je het gezicht van iemand anders (iemand ontzettend liefs!) voor het eerst heel dicht, op zoenafstand, in de buurt van je eigen gezicht aantreft. Het is maar goed dat het zo snel went.

Misschien kijk je zelfs beter uit je ogen als je een eentonig leven leidt waarin zelden iets gebeurt. Lodewijk van Deyssel beschrijft in zijn Gedenkschriften een leven – zijn negentiende-eeuwse jeugd – dat van een verpletterende monotonie moet zijn geweest. Het bezadigde ritme van een deftige burgerhuishouding, waar alles op vaste uren gebeurt en zelfs een visite al een evenement is – tenminste in de hypergevoelige ogen van de schrijver-als-kind. Hij beschrijft gezichten zoals ik nog nooit gezichten beschreven heb gezien. De `ooglidjes' van zijn moeder, met de korte oogharen, op afstandjes van elkaar geplant. En daar tusschen is moeder, die kijkt. Of zijn klasgenoot Bernard Sterck op de school van Kuntz, die ,,boven het blanke voorhoofdje zwart haar had, waarin zich ook een zekere nette levensopvatting uitdrukte'', en naar wie het altijd prettig omkijken was. Een rare man, die Van Deyssel: erg bijzonder om te lezen.

Ach, niet alleen de mensheid is verdeeld, wij zijn het zelf ook. We willen allebei, het bekende en het nieuwe. Alleen zou je willen, en heel veel mensen toewensen, dat niet het veranderen, variëren, verbouwen, vernieuwen, ver reizen de normale toestand was, maar het vertrouwde. En dan soms visite: een belevenis.