Wagemans' symfonie is elegisch, extatisch, bruut

Sinds de Verlichting weet de moderne mens niet meer het lichtknopje te vinden. Weliswaar voelt hij zich vrij, maar tegelijkertijd mist hij zekerheid en geborgenheid. Ook zijn onschuld is hij kwijt, waarover de Weense dichter Franz Grillparzer (1791-1872) opmerkte: `Ohne Unschuld schafft und geniesst man kein Kunstwerk'. De neurotisch zoekende wereld van Grillparzer en Goethe, van Beethoven en Schubert beheerst voor een belangrijk deel alle moderne middelen en collage-achtige hedendaagse uitingsvormen in Peter-Jan Wagemans Zevende Symfonie (1998-1999). Vrijdagavond beleefde deze groots opgezette compositie in de Haagse Anton Philips Zaal zijn luid bejubelde première bij het Residentie Orkest.

Voorafgaand aan zijn Zevende symfonie nam Wagemans uit handen van Bert van den Akker, directeur van het orkest, de ANV-Visser-Neerlandia Prijs in ontvangst. In het juryrapport wordt Wagemans geprezen als een gedreven verhalenverteller. Elk van de vijf delen van de symfonie draagt dan ook een titel: `Über'm Sternenzelt' (citaat uit Beethovens Negende), `Het zwarte licht en het heldere duister' (in het ritme ontleend aan de finale van Beethovens Zevende), `Mehr Licht!' (naar Goethe's verzuchting op zijn sterfbed), `De toekomst bedrijft sodomie met de hoornen van zijn herinnering' (een luchtig capriccio), uitmondend in `Het grote Lied'. Kabballistische duidingen, ontleend aan een werk van James M. Pryse, karakteriseren in een veelvoud van de getallen negen, zes, zeven, drie en acht nog eens de delen. Ze staan respectievelijk voor de intuïtie, het lager verstand, het kruis, de zinnelijkheid en het hogere verstand.

Indrukwekkend is al meteen de schildering van de statische sterrenpracht in klokkenspel en vibrafoon, omlijst door crotales, tamtam, cimbalen en harp tegen een zacht strijkersfond. Maar de lage instrumenten – Wagemans handelsmerk – zoals hoorn, bugel en Wagner-tuba, zijn nooit ver. Een wiegend gracioso voor de strijkers kan niet blijven en voert dan ook uiteindelijk naar een expansief droefgeestige rouwmuziek in contrast met de immobiele uitspanselmuziek.

De delen twee en drie waren al in oktober vorig jaar een keer uitgevoerd, en deel twee maakte ook nu weer een verpletterende indruk. Hier bewandelt Wagemans de weg van het onmogelijke, zó ruw en radicaal hoor je het zelden, of het zou in de muziek van Wolfgang Rihm moeten zijn.

Tegenover dit pandemonium, een uitgecomponeerde paniek, staat de zoektocht naar het licht in drie labyrintische bogen. Het slot daarvan in een spannend unisono voor de hoge violen, werd nu veel overtuigender uitgevoerd dan vorig jaar. Deel vier met citaten uit deel twee, evenals in een finaledeel, biedt een ontspanningspunt in een filmische zetting, terwijl het majestueuze en mystieke slot als het `grote lied' weer eens een hoofdrol verleent aan de bugels met altfluiten als belangrijkste kleuring.

Wat nu het bijzondere is aan Wagemans' elegische extase en brute bezweringskunst, verduidelijkte voor de pauze Henri Dutilleux' l'Arbre des songes voor viool en orkest met Irvin Arditti als ideale solist. De pointillistisch precieuze schoonheden in het orkest, uiterst gedetailleerd en fijnzinnig vertakt, voeren nergens heen. Het stuk is als een droom waarvan je bij het ontwaken niets meer kunt herinneren. Wagemans blijft aan je knagen, staat je helder voor de geest. Uiteraard was dit mede te danken aan een onder Reinbert de Leeuw gedreven musicerend Residentie Orkest, dat alle karakteristieken haarfijn uittekende.

Concert: Concert Residentie Orkest o.l.v. Reinbert de Leeuw. Werken van Wagemans e.a.. Gehoord 15/10 Dr. Anton Philips Zaal Den Haag.