Terug naar de natuur

Kluunwijn, Beerenburger bonbons, Bartlehiemer bier, Benthemmer kaas en nog veel meer was er te koop in de kaaswinkel van St. Jansklooster. Bijna alles wat herinneringen opriep aan de triomfen van Evert van Benthem in de Elfstedentochten van 1985 en 1986 lag als handelswaar naast de prijzen die de winkelier als schaatser heeft gewonnen. Mede daarom was het op de boerderij een komen en gaan van mensen die Evert in het echt wilden zien.

Liever had de boer uit de gemeente Brederwiede geen toeristen op zijn erf toegelaten. Liever had hij een valse hond om de boerderij laten lopen in de hoop dat het beest iedereen van zijn woon- en werkstede weghield. Een boer houdt niet van vreemd volk. Zeker niet van het stadse volk dat niet begrijpt dat een boer van 's morgens als de haan kraait tot 's avonds als de kippen op stok gaan moet werken. Een boer heeft wat anders aan z'n kop dan burgers uitleggen hoe koeien gemolken worden, kippen eieren leggen en waarom keuen in de modder liggen.

Maar omdat het volk met een hond noch een stok was weg te houden en hij toch wat moest om als boer in leven te blijven, besloot hij in de kaaswinkel van zijn boerenbedrijf ook levensmiddelen en souvenirs aan de man te brengen die herinnerden aan zijn schaatstriomfen. Twee keer de Elfstedentocht winnen bleek niet te leiden tot materiële rijkdom. En omdat in Nederland het houden van koeien geen garantie biedt op welvaart, meende Evert er goed aan te doen de verkoop van eigengemaakte kaas te combineren met handel in schaatsrelikwieën.

Evert is geen profvoetballer die anderen een poot uittrekt of een intellectueel die de wereld vanuit de hoogte wenst te bezien. Evert is een boerenjongen voor wie werken een geschenk Gods is, die voor zijn plezier schaatst, in zijn sport de beste wil zijn en als mens nooit zal koketteren met zijn gaven. In de grote wereld waarin materiële rijkdom het hoogste goed is, is hij de loser. In de kleine wereld waarin boeddhistische ingetogenheid heerst, is hij de kampioen.

Altijd in de stront staan, met de voeten op aarde, dicht bij de natuur, dat is het leven. En dan in je vrije tijd schaatsen, sporten in weer en wind. Evert weet niet beter. Hij weet niet beter dan dat landbouwministers niks begrijpen van boeren. Melkquota en mestplannen worden vooral bedacht door stadsmensen die nooit gras hebben geroken en te midden van koeien en keuen hebben gestaan. Jantje Beton weet niks van de natuur. Hij verlangt slechts naar verbouwde boerderijen ter meerdere eer en glorie van het yuppendom.

Evert verlaat het land dat niet meer van boeren houdt. Onlangs veilde hij de inboedel van boerderij De Benthemmer. Met vochtige ogen verkocht hij zijn veertig Holstein Frisians aan boeren. Hij had ze meteen op de markt kunnen verkopen, maar dan waren ze in het abattoir terechtgekomen, waar ze we waren gefileerd voor de sterrenrestaurants die landbouwministers frequenteren.

Evert, Janette en hun kinderen gaan begin volgend jaar naar Canada, ver weg, in navolging van de honderden boeren die Nederland zat zijn geworden. Een droom gaat in vervulling, wonen en werken in een land waar de natuur nog vrij spel heeft en koeien vrij mogen grazen en poepen. Schaatsen kan Evert er zoveel hij wil. De winters zijn er lang en koud. Hij kan er schaatsen op grote, eenzame meren. Hij zal geen mens tegenkomen. Geen schaatser die met hem wil wedijveren en geen toerist die hem herkent. Evert, een naam als een boer, vindt er de natuur, de rust en de stilte die er in Nederland niet meer is en nooit meer zal zijn.