Rousseau's gift

Laatst in de metro. Man in geruite broek, strak shirt, gouden ringen en kettingen. Hij zit wijdbeens achterover en zijn nonchalance wordt alleen verstoord door wat hij teder in zijn handpalm houdt: een mobiele telefoon. Hij steekt het ding niet in zijn zak of met een klemmetje aan zijn riem, maar houdt het vast en streelt het met zijn duim, als een rozenkrans. Wie zou hem opbellen? Hij is werkloos, schat ik, en nog niet zo lang geleden uit bed gestapt, het is één uur 's middags. Van wie verwacht hij een telefoontje, van het arbeidsbureau?

Maar dan is er ineens fel gepiep, een melodietje dat ooit door een Duitser moet zijn gecomponeerd voor een kerkorgel. ,,Ai Swah'', gilt hij door het apparaat, en vele malen ,,konjo'', daarbij met zijn vrije hand grijpend naar zijn kruis. Luid gelach en gepraat, volkomen ongeremd. Privacy heeft hij niet nodig en daarom kan hij die anderen niet gunnen. Hij is gewoon zichzelf, op een eenvoudige, maar totale manier.

Wat is er op tegen? Mensen moeten proberen zichzelf te zijn, leerde Rousseau. Je niets aantrekken van je afkomst of je sociale staat, niet gevoelig zijn voor de blikken en oordelen van anderen, geen schroom of terughoudendheid kennen. Is dat niet de vrijheid die de moderne mens bevochten heeft? Deze Antilliaan met zijn ringen en kettingen en mobiele telefoon aan zijn oor, hij verpersoonlijkt de gift van Rousseau aan de mensheid: je zelf laten zien zoals je bent.

Het punt is alleen dat de nadruk niet meer ligt op hoe je bent, maar op het laten zien. Mijn bezwaar, of lichter: mijn ongemak ontstaat uit de gedachte dat hij vooral demonstreert dat hij zichzelf is. Het is het behagen in het tonen, het voortdurend duidelijk maken, het luidkeels proclameren van het vermogen jezelf te zijn dat mijn irritatie opwekt.

Ander geval: mijn zoon zit op zwemles. Vraag me niet waarom hij na zijn A- en B-diploma ook nog zijn C moet halen, maar hij heeft er zo'n plezier in, dat ik bereid ben om zes uur 's ochtends op te staan en hem naar het zwembad te rijden. De les begint om kwart voor zeven en eindigt een half uur later. Hij gaat onder de douche, shampoo in het haar, ik wrijf hem droog en kleed hem aan voor school.

Het enige probleem is dat het allemaal onder grote nervositeit gebeurt, mijnerzijds, wel te verstaan. En dat komt omdat een boomlange heer die een tiener moet zijn geweest in de jaren zestig ervoor kiest om tegen de tijd dat ik mijn zoon afdroog in zijn totale blootje door de douche- en kleedruimte te banjeren. Hij is volkomen op z'n gemak, terwijl hij zijn geslachtsdelen op ooghoogte van mijn zoon laat bungelen – en dat nog voor we hebben ontbeten. Hij is volmaakt zichzelf, hij is de droom van Rousseau. Want, zo zei hij het in zijn Bekentenissen: ,,Ik wil voor mijn medemensen getuigenis afleggen van een mens zoals hij is overeenkomstig de volledige waarheid van zijn natuur; en deze mens zal ik zijn.'' In die tijd gebruikte men nog gewichtige woorden als natuur en waarheid. Nu zou men zoiets zeggen als: ik wil iedereen laten zien wie ik werkelijk ben.

Mijn diepste wens, en dit is voor mij nogal een bekentenis, is over het Leidseplein te lopen met een grote cowboyhoed op. Ik zou er niemand mee lastigvallen en waarschijnlijk zou niemand mij opmerken, maar ik durf het niet.Ik ben bijna nooit mezelf. En als ik dat wel denk te zijn, na een paar glaasjes whisky, weet ik dat degene die daar zo leuk zichzelf staat te wezen niet helemaal samenvalt met mij.

Anderen hebben er minder moeite mee. Zoals die vrouw in het warenhuis. In de vijftig, kort grijs haar, klein brilletje, witte bloes en zwarte broek, in alles de uitstraling van een ontwikkeld persoon van goede komaf. Bij de kassa haalde ze een wit beklede doos uit een lederen tas en uit die doos kwam een roze homp te voorschijn. Een borstprothese. Het verhaal tegen de caissière was dat de prothese had gelekt. ,,Kijk'', wees ze, en eraan snuffelend, ,,het stinkt zo.'' Daardoor was de bh die ze in het warenhuis had gekocht gevlekt. Of ze hem kon ruilen, ondanks dat het kaartje was afgeknipt.

Terwijl de caissière een superieur belde speelde ze, met de ellebogen op de toonbank steunend, met haar prothese. Zoals de Antilliaan in de metro zijn telefoontje streelde en de man in het zwembad zijn geslachtsdeel inzeepte.

Ik stond kennelijk zo naar haar te staren dat ze zich zijwaarts naar mij keerde. Ik had een bestraffende blik verwacht, maar ze keek koeltjes, hooghartig zelfs. In de trant van: nooit eerder een borstprothese gezien?

Ze gedroeg zich overeenkomstig de volledige waarheid van haar natuur, en de kwestie van privacy, nou, dat was vooral mijn probleem.

Zou Rousseau het zo hebben bedoeld? Hij zei dat hij getuigenis wilde afleggen, maar daarmee bedoelde hij: een autobiografie schrijven. En op de een of andere manier heb ik daar totaal geen moeite mee. Ik vind het afleggen van bekentenissen en het blootgeven van jezelf prachtig, als het geschreven is, of gefilmd, geschilderd of voor mij part gecomponeerd. Het verschil is niet de artistieke bewerking, maar het ontbreken van opdringerigheid. Een boek kan ik kopen of niet, lezen of terzijde leggen.

Van gedragingen van mensen in metro's, zwembaden en warenhuizen kan je ook zeggen: je kunt er naar kijken of niet. Ik kon mijn blik toch afwenden? Dat is natuurlijk zo, en toch ook weer niet. Als Rousseau in zijn boek bekent dat hij een vagebond is, vind ik dat heel iets anders dan wanneer hij zich in mijn aanwezigheid gedraagt als een vagebond. En het verschil is niet eens opdringerigheid, maar vooral schreeuwerigheid. Jezelf zijn, dat doe je in stilte, als je alleen bent. Iedereen mag zichzelf zijn. Maar je loopt niet met een cowboyhoed over het Leidseplein.