Nederland moet geen zaken doen met Cuba

In plaats van een handelsdelegatie naar Cuba te sturen, moet Nederland de internationale druk op het regime van Fidel Castro helpen opvoeren, meent Liduine Zumpolle. Want zoals het er nu naar uitziet dragen buitenlandse investeringen alleen maar bij tot verdere uitbuiting en onderdrukking van de Cubanen.

Het is nog steeds niet zeker of binnenkort een Nederlandse handelsdelegatie naar Cuba vertrekt. Nu de mensenrechtensituatie er onlangs is verslechterd, verschillen minister van Aartsen van Buitenlandse Zaken en staatssecretaris Ybema van Economische Zaken van mening over de wenselijkheid van die missie. Ybema heeft namelijk te kennen gegeven ook met dissidenten te willen praten en misstanden aan de orde te willen stellen. De handelsmissie is bovendien in strijd met de Common Position van de EU, die economische samenwerking met Cuba afhankelijk stelt van aanzienlijke verbeteringen op het gebied van mensenrechten en politieke vrijheid.

Een aantal dissidenten zegt voorzichtig van de gelegenheid gebruik te willen maken om Ybema over het gebrek aan politieke en economische vrijheden in hun land te informeren. Zoals over het verbod op vrije vakbonden en CAO's – een misstand waarvan buitenlandse investeerders profiteren. Anderen zoals Leonel Morejon Almagro (voorzitter van de bedreigde ecologie-beweging Naturpaz) en enkele onafhankelijke vakbondsfederaties leggen het accent elders. Zij spreken zich echter niet nadrukkelijk uit tegen investeringen, omdat zij zich dan schuldig zouden maken aan het ondersteunen van het Amerikaans embargo. Maar zij laten er geen twijfel over bestaan wie van die investeringen profiteert.

Oswaldo Paya van de Christelijke beweging voor bevrijding (MCL) liet vorige week in een verklaring weten: ,,Het is een misvatting dat buitenlandse investeringen en toerisme bijdragen aan de (politiek-economische) opening en dus aan de vooruitgang van de Cubanen. De pijnlijke werkelijkheid is dat de investeringen en het toerisme profiteren van de uitbuiting en de vernedering van de Cubanen, en er zelfs soms misbruik van maken, aangezien men zich voegt binnen een maatschappelijke orde die de Cubanen zelf marginaliseert en hun elementaire rechten verloochent. Op deze manier draagt men bij aan de maatschappelijke immobiliteit en versterkt men de mechanismen die de repressie, de ongelijkheid en de corruptie bevorderen, en armoede onder het merendeel van de bevolking zaaien. Ondertussen leven de enkelingen die de politieke en militaire macht in handen hebben in rijkdom, in de verwachting de nieuwe ondernemers te zijn in het stelsel van onrecht dat zij ons als toekomst bereiden.''

Op 9 september jl. deden drie onafhankelijke, niet-erkende vakbondsconfederaties een oproep aan buitenlandse ondernemers. Over het handelen van die ondernemers in Cuba zeiden zij: ,,Zij maken misbruik van de weerloosheid waartoe het regime de bevolking, vooral de arbeiders, veroordeelt.'' En: ,,De buitenlandse investeerders – slechts gedreven door snelle en gemakkelijke winsten – hebben zich medeschuldig gemaakt aan schendingen van verdragen zoals die door de Cubaanse regering in 1948 werden ondertekend (en geratificeerd door de huidige overheid, red.), met name de conventies 95, 96, 97 en 98 van de Internationale Arbeids Organisatie (ILO).''

Het zou nuttig zijn als een handelsdelegatie zich realiseert dat Castro evenmin een boodschap heeft aan kooplieden die zich vermommen als dominees. De Britse minister van Handel, Brian Wilson, had dat goed begrepen toen hij, op bezoek in Havana in 1998, openlijk erkende dat volgens de Common Position het aanhalen van economische banden geconditioneerd was aan de verbetering van mensenrechten, maar dat hij er uitsluitend was ,,om over handel te praten''.

Internationale politici, zoals de Canadese premier Chrétien en Eurocommissaris Marin, en ondernemers die in het verleden daadwerkelijk belangstelling toonden voor het lot van de Cubaanse bevolking, werd zonder uitzondering de deur gewezen.

Het is de taak van internationale mensenrechtenorganisaties om de rol van multinationals in hun beschouwingen op te nemen. Ybema heeft behartigenswaardige dingen gezegd over maatschappelijk verantwoord ondernemen. De voorwaarden waaronder in Cuba geïnvesteerd wordt (geen directe betaling aan de werknemer, geen vrije vakbonden, geen recht op vereniging of vergadering, geen vrije selectie van personeel) en de totale controle van de Cubaanse staat over alle geledingen van de maatschappij, maken die investeringen echter per definitie gelijk aan versterking van het totalitaire, repressieve bewind.

Investeren in Cuba betekent helaas ook niet de weg naar een geleidelijke economische (en dus politieke) liberalisering. Juist de angst voor die ontwikkeling heeft Castro ertoe gebracht om de enkele jaren geleden schuchter toegelaten privé-onderneminkjes door een afdoende combinatie van bureaucratie en belasting weer vrijwel de nek om te draaien. De winst die buitenlandse investeerders genereren, vloeit daarentegen behalve naar het buitenland, direct naar de Cubaanse staatskas. De Cubaanse werknemer die de vloeren veegt van het Golden Tulip hotel in Havana wordt er niet wijzer van, want hij wordt betaald in waardeloze pesos die een fractie betreffen van het door Golden Tulip aan het bewind betaalde salaris in dollars. Bovendien is hij, alvorens te zijn aangenomen, door de overheid op politieke zuiverheid geselecteerd; hij zal het dus niet in zijn hoofd halen zich te wenden tot de enkele vrije – niet erkende – vakbondsclubjes die durven bestaan.

Daarbij komt dat Fidel Castro als geen ander internationale bezoeken ter legitimering van zijn regime weet uit te buiten. Het bezoek van de paus in 1998 is daarvan een schrijnend voorbeeld. Ook nu is het niet onwaarschijnlijk dat Castro, met name bij de Ibero-Amerikaanse top die in november in Havana gehouden moet worden, goede sier zal maken met het Nederlandse bezoek. Een aantal Latijns-Amerikaanse staatshoofden zal daar immers uitdrukkelijk afwezig zijn, omdat Castro zijn herhaalde beloften aan de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) inzake verbetering van democratie en mensenrechten nooit is nagekomen. Op 6 september liet president Rodriguez van Costa Rica Castro weten tijdens de top in Havana volledige garanties te willen hebben om tijdens zijn bezoek (in aanwezigheid van binnen- en buitenlandse pers) mensenrechtenactivisten en politieke en religieuze groeperingen te kunnen spreken. Drie dagen geleden kondigde Rodriguez aan verstek te laten gaan op de top, aangezien Castro die garanties niet heeft willen geven.

Heeft de Nederlandse delegatie behalve Pax Christi ook Castro in kennis gesteld van haar voornemen dissidenten te willen bezoeken? Heeft minister van Aartsen antwoord gekregen van zijn Cubaanse ambtsgenoot die hij onlangs in New York vragen stelde over de respectering van de mensenrechten? Wat is het kabinetsbeleid op dit punt? Zou Nederland, in plaats van nu een handelsdelegatie te sturen om de Amerikanen voor te zijn, zich niet eerder moeten inspannen om de internationale druk op Cuba te vergroten om de mensenrechten te verbeteren en onze bedrijven te stimuleren ook in landen als Cuba elementaire gedragsregels te volgen?

Pas als er sprake is van daadwerkelijke verbetering kun je heroverwegen of een handelsdelegatie wenselijk is. Nu gelden andere prioriteiten. Een recent naar buiten gekomen document van vijftig Cubaanse priesters over het lijden van de bevolking spreekt over de noodzaak de oppositie en de moeizaam opkomende civiele samenleving te ondersteunen. Dat is iets heel anders is dan zaken doen met het regime van Castro.

Liduine Zumpolle is coördinator van de afdeling Latijns Amerika van Pax Christi.