Lost weekend

Als Victor mijn ouders niet voor het eerst in de drie jaar dat ik hem kende had opgezocht om mij ten huwelijk te vragen, en zij van zijn bestaan maar niet van zijn verhouding met hun minderjarige dochter wisten, hadden zij nooit hun toestemming voor dat weekend gegeven. In de nazomer van 1936 had hij voor enige weken aan de rand van Ouddorp het huis van een bevriend echtpaar tot zijn beschikking gekregen; daar zou ik mij de laatste twee dagen van zijn vakantie bij hem voegen, om zondags met hem mee terug te gaan naar Rotterdam.

Door de titel van Vics vriend, die professor was, nadrukkelijk te vermelden hoopte ik vooral mijn argwanende moeder het nodige vertrouwen in te boezemen, ofschoon ik haar onkundig liet van het feit dat deze niet, zoals zij aannam, aanwezig zou zijn. Het drukbezette leven van mijn toekomstige echtgenoot als redacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant maakte dat ik slechts een paar avonden per week in het diepste geheim een kort bezoek kon brengen aan zijn met duizenden boeken volgestouwde woning aan de Leuvehaven. Het was dan ook met hooggespannen verwachtingen dat ik op zaterdagochtend voor dag en dauw de tram nam naar de Rosestraat aan de andere kant van de stad.

Ondanks het vroege uur was het al vrij warm, en het reisschema nauwlettend volgend, stapte ik op de stoomtram van de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij naar Hellevoetsluis, vanwaar ik per boot het Haringvliet overstak om in Middelharnis op Goeree-Overflakkee weer de stoomtram naar Ouddorp te nemen. Daar de aansluitingen zelden klopten, duurde het bijna drie uur voor ik laat in de morgen het op een duin gelegen villaatje bereikte, dat, zoals ik gedurende mijn verblijf zou ondervinden, aan vreemde storingen in de elektriciteitsvoorziening leed, waardoor op de meest onverwachte momenten knetterende vonken uit de lichtschakelaars spatten, hetgeen Vic aan het al dagen in de lucht hangende onweer toeschreef.

Maar ook zonder dit verontrustende verschijnsel zou ons zorgvuldig voorbereide weekend volledig in het water zijn gevallen, wat ik als de straf beschouwde voor de bedrieglijke voorstelling van zaken die ik mijn ouders had gegeven. Want toen we ons op de rijwielen van het afwezige echtpaar naar de dorpsherberg begaven, waar Vic elke dag ging eten en we ons weerzien met een feestelijke lunch zouden vieren, bleef ik op het smalle landweggetje in verliefde overmoed zo dicht naast hem rijden dat onze sturen ineenhaakten en wij over elkaar in het gras tuimelden.

Hoewel het hevig op mijn lachspieren werkte, beheerste ik me bij het zien van Vic, die kreunend in de berm zat en beweerde zijn pols en enkel te hebben gebroken. Niettemin bereikten we – hij hinkend en vloekend – met de licht beschadigde fietsen aan de hand de eetgelegenheid, waar de medelevende herbergier de plaatselijke arts opbelde, die pas 's middags kon komen, en waar de lunch aanmerkelijk minder feestelijk verliep dan we ons hadden voorgesteld. Zelfs meende ik iets van een verwijt in Vics zwijgen te bespeuren, en terwijl we de fietsen ter reparatie achterlieten, keerden we in de inderhaast bestelde en waarschijnlijk enige taxi die het dorp rijk was naar het huis op het duin terug.

De rest van de middag brachten we in bedrukte stemming op het terras door, waar Vic, in een ligstoel met zijn voet op een tabouret en zijn rechterarm in een door mij onhandig geïmproviseerde mitella, zich herhaaldelijk afvroeg hoe hij de volgende dag met al zijn bagage in Rotterdam moest komen. De diagnose van de eindelijk gearriveerde dokter, dat de gekwetste lichaamsdelen slechts onbetekenende kneuzingen vertoonden, wees Vic verontwaardigd van de hand, en toen dezelfde taxi ons voor het diner naar hetzelfde etablissement had teruggebracht, stelde hij zich daar – aangezien het buitenverblijf van de professor geen telefoon bezat – in verbinding met zijn beste vriend, Jan Campert, die toentertijd in Kijkduin woonde, om hem dringend te verzoeken de andere morgen naar Ouddorp te komen, ten einde ons bij de terugreis naar Rotterdam behulpzaam te zijn.

Aldus daalde Vic die zondag, tussen Jan en zijn vrouw Clara Eggink in, het duin af, gevolgd door mij en de taxichauffeur met drie loodzware valiezen, en gingen we aan boord van het schip, dat met een kwartier vertraging de haven van Middelharnis verliet. Intussen had het dreigende onweer zich met hevige windstoten uit een wilde wolkenlucht ontladen en werd ons midden op een onstuimig Haringvliet te kennen gegeven dat wij op een ander schip moesten overstappen. Gebelgd over het ongerief en zwerend nooit meer een voet op een Zuid-Hollands eiland te zetten, schuifelde Vic, resoluut voorafgegaan door Claartje en met de vaste hand van Jan in zijn rug, over een wiebelende loopplank met een soort touwleuning naar het schommelende vaartuig langszij.

Op het vasteland werd het Rotterdamse taxibedrijf Ravero telefonisch opgedragen een auto naar het haventje van Hellevoetsluis te sturen om meneer Van Vriesland met zijn gezelschap en bagage zo snel mogelijk op te halen.

Alles bij elkaar waren we ruim vier uur onderweg geweest toen Vic ten slotte de drie trappen naar zijn etage opstrompelde en niettegenstaande zijn gekwetste rechterpols onmiddellijk een kruik jenever ontkurkte. Dit deed de stemming dermate opbloeien dat hij zich iets minder stuntelig scheen voort te bewegen toen we ons 's avonds, weer per taxi, naar het Indisch restaurant van Hotel Royal in de Witte de Withstraat begaven, waar Frans van Trier, die ons altijd welgezind was, de scepter zwaaide en Vic nooit anders betaalde dan door zijn handtekening op een discreet gepresenteerd dubbelgevouwen papiertje te plaatsen.

Omdat Jan en Claartje bij hem bleven overnachten, stelde Vic voor nog even Jans favoriete lokaliteit De Cosmopoliet op de Schiedamschedijk aan te doen, die bijzonder in trek was bij het uitgaande publiek, dat zich er kwam vergapen aan de passagierende zeelui en de hoeren en pooiers en andere ingezetenen van de rosse buurt.

We zaten echter nauwelijks of Vic richtte zich op, trok mij zonder iets te zeggen uit mijn stoel, maakte met een ondoorgrondelijke blik op zijn tafelgenoten een paar grillige passen en verwijderde zich met mij over de spiegelgladde vloer, waarop hij de sterren van de hemel danste. Over zijn schouder zag ik Clara's opengevallen mond, en nooit zal ik het gezicht van Jan Campert vergeten dat rood was aangelopen, terwijl hij snikkend van het lachen zijn bril afzette om met zijn zakdoek de tranen uit zijn ogen te vegen.