Europese ruimte

DE TOP IN TAMPERE had een grandioos thema, de ,,ruimte voor veiligheid, vrijheid en rechtvaardigheid binnen Europa''. Dat is de grote belofte aan de Europese burger die twee jaar geleden werd vastgelegd in het Verdrag van Amsterdam. Het blijft een hele opgave deze Europese ruimte gezicht te geven voor de man in de straat. Opmerkelijk is de defensieve toonzetting van het thema. Eens temeer kozen de regeringsleiders voor de vertrouwde iconen van misdaadbestrijding en asielbeleid. Waarom nu niet eens de openheid van het Europees bestuur en de zeggenschap van de Europese volksvertegenwoordiging als speerpunten?

Urgentie valt de thema's van Tampere intussen niet te ontzeggen. Nederland heeft zich met reden sterk gemaakt voor onderlinge afstemming van het asielbeleid. Een evenwichtiger verdeling van lasten binnen de Unie is hard nodig. Hoe slecht dit de Europese landen afgaat, demonstreerden zij eerder dit jaar tijdens de Kosovocrisis. Veel ontheemden zijn inmiddels teruggekeerd, maar de bittere nasmaak van onderlinge verdeeldheid over de opvang binnen Europa is nog niet verdwenen.

Kosovo was nog een crisis waarover, formeel althans, grote politieke overeenstemming bestond tussen de leden van de Europese Unie. Dat is veel minder het geval met betrekking tot andere probleemregio's in de wereld met de daarbijbehorende stromen asielzoekers. Dat maakt de beoogde afstemming van asielprocedures een hachelijke onderneming. Gelukkig hebben de regeringsleiders in Tampere vastgehouden aan het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties als grondslag ook voor een geïntensiveerd Europees beleid. Het balletje dat een vorig Oostenrijks voorzitterschap opwierp om het verdrag los te laten, dreigde te leiden tot een combinatie van twee kwaden, een Fort Europa-mentaliteit en onderlinge verdeeldheid.

DE GROTE WINST van Tampere is de herbevestiging dat de aanpak van de asielstromen niet kan worden geïsoleerd uit het bredere vraagstuk van de migratie en de betrekkingen van de Unie met landen van herkomst. Veel wat is afgesproken staat ook al in het Verdrag van Amsterdam, maar dat had een ingebouwd uitstel van vijf jaar. Het is niet overbodig dat de regeringsleiders er de vaart in houden. De thema's van Tampere raken aan diepgewortelde en hardnekkige opvattingen van nationale soevereiniteit. Toch is er beweging. De pijler van justitiële en politiële samenwerking in het Verdrag van Maastricht (1991) werd nog betiteld als ,,een losse uitlaat''. Na het Verdrag van Amsterdam wordt uitlevering van verdachten binnen Europa vergemakkelijkt en hangt er zelfs een Europees ,,corpus iuris'' in de lucht. De gedachte van een Europees Strafrecht heeft een nieuwe wending genomen, zoals minister Korthals (Justitie) het onlangs uitdrukte.

Een ding is er niet veranderd sinds de Franse president Giscard d'Estaing meer dan twintig jaar geleden de gedachte van een ,,espace judiciaire européen'' lanceerde. Het gemak van de overheid en zijn organen staat wel heel sterk voorop. Toch valt dat niet automatisch samen met de belangen van de Europese burger. De openbare aanklagers van de lidstaten zijn in gesprek over informatie-uitwisseling, maar vergelijkbare samenwerking tussen de advocatuur – een onmisbare tegenhanger, zou men zeggen – wordt overgelaten aan het particulier initiatief. De Europese politie Europol wordt uitgebreid, maar de controle door de Europese rechter blijft facultatief. Dat soort lacunes moet niet een structureel tekort worden als de nieuwe Europese ruimte haar naam wil waarmaken.