`Ze vroegen niet eens naar mijn naam'

Ruim een jaar geleden moest de Soedanese journalist Mohammed Abd al-Hamid na een coup zijn land ontvluchten. Hij vroeg in Nederland asiel aan. Deze week de eerste aflevering van een korte serie artikelen waarin hij van binnenuit het asielvraagstuk beschrijft. De Britse advocate Elspeth Guild bepleit een `minder spastische' aanpak van het migratie- en asielbeleid. Gisteren en vandaag besteedde de EU er in Finland een speciale top aan.

Toen ik aanvankelijk besloot om politiek asiel aan te vragen in Nederland, deed ik dat in de veronderstelling dat ik goed op de hoogte was van wat mij te wachten stond. Als journalist en activist voor de rechten van de mens had ik veel geschreven over vluchtelingen in mijn eigen land, Soedan. In 1989 bracht een militaire coup de fundamentalistische moslimbroeders aan de macht en moest ik vluchten om aan vervolging te ontkomen. Ik vestigde mij met mijn gezin in Jemen, waar ik al gauw mijn werk als journalist weer kon oppakken en waar de kleine gemeenschap van Soedanese ballingen mij koos tot woordvoerder van de Soedanese oppositie.

De Jemenitische autoriteiten waren echter in toenemende mate bezorgd over hun betrekkingen met Soedan. Die nervositeit bereikte een hoogtepunt toen in 1997 de Soedanese oppositie vanuit Eritrea de wapens opnam tegen het regime in Khartoum. Na talloze malen door de Jemenitische geheime politie te zijn ondervraagd, werd ik in 1998 gearresteerd en kreeg ik te horen dat ik naar Soedan zou worden teruggestuurd. Gelukkig werkte ik inmiddels sinds twee jaar als vertaler en adviseur voor de Nederlandse ambassade in Sana'a en kon de ambassadeur tussenbeide komen om mijn deportatie te verhinderen.

Na mijn vrijlating was mijn positie in Jemen onhoudbaar geworden. Iedere actie van de Soedanese oppositie werd mij persoonlijk aangerekend, of ik er nu bij betrokken was of niet. De controverse rond mijn persoon bracht ook mijn werk op de Nederlandse ambassade in gevaar. Een ambassade kan het zich nu eenmaal niet permitteren om zich in politieke aangelegenheden te mengen.

Toen ik uiteindelijk besloot Jemen te ontvluchten was Nederland een voor de hand liggende keuze. Ik veronderstelde dat mijn bekendheid met de Nederlandse autoriteiten met mijn geschiedenis mijn asielaanvraag zou vergemakkelijken. Na mijn aankomst als asielzoeker in Nederland, nu al meer dan een jaar geleden, bleek al mijn kennis echter van geen enkele praktische waarde te zijn.

Verbazing en desillusie waren vanaf het moment van mijn aankomst mijn deel. Een vriend van mij, die zelf ook asielzoeker is, ging er na enige aarzeling mee akkoord mij naar het gebouw van de vreemdelingenpolitie te brengen, waar ik mij op de eerste werkdag na aankomst moest melden. Hij wees mij het gebouw vanuit de tram en nam afscheid zonder uit te stappen. Een paar minuten stond ik voor het gebouw om een gevoel van twijfel te overwinnen. Toen ging ik naar binnen, onhandig en met veel geraas mijn koffers achter mij aanslepend, de trap op naar de tweede verdieping. Ik had mijn beste pak aan en droeg de rode stropdas die mijn vrouw me bij ons afscheid had gegeven.

Ik vervoegde mij bij de balie waar vier politiemannen geconcentreerd achter computerschermen zaten. In een poging hun aandacht te trekken, zei ik ,,Good morning'', maar mijn groet werd niet beantwoord. In plaats daarvan keek de dichtstbijzijnde politieman mij aan en zei: ,,Stay on the bench until you are called.'' Met enige aarzeling probeerde ik: ,,Ik ben hier om politiek asiel aan te vragen'', waarop de politieman, zonder van zijn computerscherm op te kijken, antwoordde: ,,I know.''

Enige tijd later kwam een vijfde politieman zeggen dat ik naar een andere plaats moest die Zevenaar heette. Hij gaf me een routebeschrijving en vroeg of ik geld had voor de trein. ,,Ja'', antwoordde ik, nam het papier en vertrok, verbaasd dat me niet eens naar mijn naam was gevraagd. Ik voelde me ook opgelucht, alsof ik uit een val was ontsnapt waarin ik uit vrije wil was gelopen.

In de trein voelde ik mij teleurgesteld door mijn eerste contact met de Nederlandse autoriteiten. Een buitenlandse journalist die lange tijd voor een Nederlandse ambassade had gewerkt, verdiende meer dan de botte onverschilligheid die me tot dusver ten deel was gevallen, vond ik.

Het Refugees Reception Center in Zevenaar was een prefabgebouw van drie verdiepingen, omgeven door prikkeldraad. Het leek sprekend op de gevangenissen die al mijn hele werkende leven aan de horizon op de loer liggen. Bij aankomst kreeg ik een formulier. De goedbedoelde Arabische versie was opgesteld in een grappig Noord-Afrikaans dialect; ik koos de Engelse versie omdat ik enkele vragen in het Arabisch niet begreep. Nadat ik het formulier had ingevuld, werd mijn koffer meegenomen en werd ik naar een wachtkamer geleid waar ongeveer dertig personen van verschillende culturen, kleuren en leeftijden bedrukt en ontdaan voor zich uit zaten te kijken.

Het was stil in de wachtkamer; het enige geluid was het onstelpbare huilen van een paar baby's, die niet door hun moeders tot bedaren waren te brengen. In de hoek stonden een koffieautomaat en twee kartonnen dozen met appels en broodjes kaas en kip. Op een vreemde manier liepen de mensen onrustig op en neer naar de kartonnen dozen en aten veel te veel van de broodjes, alsof ze daarmee dit onbestemde wachten wilden bezweren. Ze zagen er allemaal bleek, vermoeid en angstig uit. Maar ook nieuwsgierig.

Gevaarlijke vijand

Op een zeker moment vroeg een Soedanese dame in de wachtkamer om een glas water. Ik vertaalde haar verzoek aan de politieman die bij de deur stond, waarop deze haar in alle onschuld verklaarde dat er een kraan was in het toilet. Voordat ik iets kon doen om een dreigend misverstand te voorkomen, barstte de Soedanese dame uit. ,,Van het toilet'', riep zij uit in het Arabisch, ,,wat voor een belediging is dit!? Wat heb ik verkeerd gedaan om dat te verdienen! Ik zweer bij God dat ik eerder van dorst zal omkomen dan dat ik water uit een toilet zal drinken!!'' Daarop boog zij zich voorover en barstte in tranen uit.

De politieman was stomverbaasd over haar reactie en niet in staat om te begrijpen wat er mis was met zijn antwoord. Onder het voorwendsel dat zij daar televisie kon kijken, nam ik de Soedanese mevrouw mee naar een ander deel van het vertrek, waar de deur van het toilet niet zichtbaar was. Vervolgens haalde ik voor haar een bekertje water uit de kraan van datzelfde toilet. Zij dronk gretig. Het duurde een uur voor ze gekalmeerd was en we de politieman konden uitleggen dat `drinken van het toilet' nu eenmaal niet iets is dat je aan een respectabele Soedanese mevrouw kunt voorstellen, zelfs niet wanneer ze een asielzoekster is.

Vier uren gingen traag voorbij voordat ik uiteindelijk werd meegenomen naar een ander vertrek, waar twee politiemannen mijn koffer letterlijk ondersteboven hadden gekeerd en bezig waren de inhoud grondig te doorzoeken, terwijl een derde fotokopieën stond te maken van mijn papieren. Omdat roken overal streng verboden was, kon ik inmiddels aan weinig anders meer denken dan aan een sigaret. De hele procedure, de onpersoonlijke en gespannen atmosfeer, herinnerde mij aan mijn ervaringen met de geheime diensten in mijn eigen land en in twee andere landen in het Midden-Oosten waar ik was gearresteerd wegens mijn politieke activiteiten. Opnieuw bekroop mij die verontrustende gedachte dat ik mijzelf hier vrijwillig uitleverde aan een instantie die ik mijn hele leven als een gevaarlijke vijand had beschouwd.

Net als thuis werden ook hier vingerafdrukken genomen en werd er een foto van mij gemaakt. In mijn eigen land werd de camera gehanteerd door een man met een wreed gezicht die de foto daarna in een vergeeld boek niette. Hier staarde de camera mij aan bovenop een computer, die bediend werd door een mooie, maar zeer ernstig kijkende jonge vrouw. Een prachtige kleurenfoto van mijn gezicht verscheen op het beeldscherm. Ik vond het zo'n mooie foto dat ik overwoog om haar te vragen mij er een afdruk van te geven, die ik naar mijn vrienden en familie zou kunnen sturen.

Om half elf 's avonds marcheerden wij, ieder gewapend met een wegwerplaken en een al met tandpasta bestreken tandenborstel, in een beduusde colonne naar een grote hal. Daar stonden vijfenveertig stapelbedden voor negentig asielzoekers. Na twaalf uur op een stoel te hebben gezeten waren we blij dat we naar bed konden gaan. Maar het plezier werd vrijwel onmiddellijk bedorven door de geur die zich verspreidde nadat negentig paar schoenen waren uitgetrokken, waarbij het ook nog eens te koud was om de ramen open te zetten. Op de bovenste bedden vocht een dertigtal Kosovaren een of ander meningsverschil uit. De dienstdoende politieman deed een vergeefse poging ze te kalmeren en slofte naar zijn bed, niet ver van de stank en het lawaai. Wat een klus, als je dat iedere dag moet doen!

Om zes uur 's ochtends werden we wakker gemaakt door de politie en allemaal tegelijk naar de tien douches gedreven. Alleen zij die erin slaagden om een douche te vinden die reeds door een landgenoot veroverd was, die zij door de gesloten deur in hun eigen taal konden aanspreken, zagen kans zich te wassen.

Een geldig visum

De tweede dag zat ik van zes uur 'sochtends tot elf uur 'savonds in een stoel die uitzicht bood op een televisie, een koffieautomaat en dozen met appels en broodjes kaas. Velen werden naar het andere gebouw geroepen, waarna wij ze niet meer terugzagen. Op een zeker moment begon het ons op te vallen dat er de hele dag geen enkele Arabisch sprekende asielzoeker aan de beurt kwam, waarop een ervaren asielzoeker concludeerde: er is geen Arabischtalige tolk vandaag; morgen is het onze beurt.

Toen ik op de derde dag uiteindelijk voor het `voorbereidende interview' geroepen werd, voelde ik mij ongemakkelijk in mijn pak waarin ik twee nachten geslapen had. Ik besloot te vertrouwen op mijn talenten en op de rode stropdas, die nog steeds straalde als verder niets aan of in mij. De interviewster en haar Iraakse tolk waren vriendelijk. Ze vroegen hoe ik Nederland was binnengekomen. ,,Op Schiphol met een geldig visum en een KLM-vlucht'', zei ik. De meeste asielzoekers komen Nederland via Frankrijk of Duitsland binnen en liegen dan standaard dat ze in de Rotterdamse haven zijn aangekomen, dus ik liet grijnzend op mijn antwoord volgen: ,,Voor de verandering, nietwaar?'' Daar moesten ze allebei om lachen.

Ik kreeg te horen dat later een uitgebreider interview zou volgen, waarin mijn politieke problemen en mijn asielaanvraag aan bod zouden komen. Diezelfde avond kreeg ik mijn koffer terug en mijn documenten minus mijn paspoort en begaf ik mij naar het Opvang Centrum in Zwolle.

Het OC in Zwolle was een modern complex van drie gebouwen, A, B en C genaamd, aan de rand van de stad. Ik kreeg er een bed toegewezen op een kamer met vier andere Soedanezen, die mij warm verwelkomden met een kop thee en een reeks vragen. Ik deed mijn relaas, waarop de oudste vroeg of ik dat allemaal aan de interviewster verteld had. Toen ik dat beaamde, keek hij me medelijdend aan. Het bleek dat hij al twee jaar als erkend asielzoeker in Nederland verbleef en hier nu was om een vriend te bezoeken. Met gezag sprak hij de andere asielzoekers toe, die hier allemaal nog maar enkele weken waren, om niet te spreken van `onze broeder met de stropdas', zoals hij mij noemde, die nog maar net een half uur geleden was aangekomen. ,,Luister, my dear'', zei hij, ,,degenen die jou daar in Zevenaar hebben ondervraagd vertegenwoordigen het ministerie van Justitie en de politie! Het is zeer onverstandig, of eigenlijk een grote fout, om dergelijke lieden hier de waarheid te vertellen!!''

Ik was perplex. Natuurlijk wist ik wel dat veel asielzoekers allerlei verzinsels vertellen, maar ik had nooit gedacht dat dat zou leiden tot het openlijke advies nooit de waarheid te vertellen. Dat was les één, een teleurstellende les, betreffende het Eerste Gouden Principe van de Geslaagde Asielzoeker.

(Wordt vervolgd)