Trektochten met tin

De insignes waarmee middeleeuwse pelgrims rondliepen, trekken weinig aandacht. Behalve in Nijmegen, bij hoogleraar kunstgeschiedenis Koldewey. En in Rotterdam, waar verzamelaar Van Beuningen een enorme collectie heeft opgebouwd.

In het Noord-Duitse Liber Vagatorum uit 1510 worden ze over één kam geschoren met bedelaars en bedriegers, want `Sie betrügen die Leute'. Maar enkele eeuwen eerder hadden bedevaartgangers als `reizigers in Gods naam' nog een licht geprivilegieerde positie. Ze kregen onderdak in speciale `hospitalen', konden verblijven in kerken en kloosters, hoefden geen tol te betalen. En rovers lieten hen uit vrees voor Gods toorn meestal ongemoeid, waarbij de wetenschap dat bij pelgrims doorgaans weinig te halen viel ook wel zal hebben meegespeeld.

De ware pelgrim was herkenbaar aan kleine tinnen insignes op zijn hoed. Dat was het `bewijs' van zijn onderneming dat hij meestal bij de bezochte heilige plaats kocht. Wie de pelgrimstocht als boetedoening maakte, moest ter plaatse door een geestelijke een certificaat laten tekenen, dat bij terugkomst in het `Correctie Boeck' werd opgenomen, als bewijs dat hij zijn `alternatieve taakstraf' had volbracht. Het insigne kreeg vaak de waarde van reliek – de pelgrim drukte het tinnen speldje even tegen het altaar, de reliekhouder of het beeld van de heilige. Als dit door de drukte in het betrokken bedevaartsoord niet mogelijk was, hanteerde de pelgrim een insigne met een klein spiegeltje, dat van afstand de heilige krachten kon opvangen.

In de late vijftiende en in de zestiende eeuw kwam de pelgrimsreis door het roomse instituut van de aflaat in een kwaad daglicht te staan. Jeroen Bosch stelde de bedevaart als symbool van bedrog onder het mom van vroomheid aan de kaak. Hij tekende rond 1480 twee schutbladen (nu in Brussel en Wenen) met de sociale onderlaag van die tijd: straatmuzikanten, kreupelen en bedelaars. Eén van de bedelaars heeft een veelzeggend insigne op: de drie bloedende hosties van Wilsnack (Brandenburg), die in 1383 na een brand in het puin van de kerk zouden zijn gevonden. Hoewel in theologische kringen aan het wonderverhaal werd getwijfeld, werden de hosties het middelpunt van een van de populairste bedevaartsplaatsen, tot in 1522 een lutherse predikant ze in het openbaar liet verbranden.

De wetenschap heeft de laat-middeleeuwse insignes daarna lang links laten liggen. Tot het midden van de vorige eeuw was er maar één standaardwerk: Collection de Plombs Historiés trouvés dans la Seine, een zesdelige publicatie van Arthur Forgeais. Hij was de enige die zich interesseerde voor insignes die te voorschijn kwamen bij vernieuwing van bruggen over de Seine. Zijn vondsten zijn later grotendeels verloren gegaan. Na Forgeais is de bestudering van insignes het werk van enkelingen gebleven. Tot voor kort werd op dit gebied ook in Nederland geen structureel onderzoek gedaan. Archeologen haalden hun neus op voor `objectgericht' onderzoek, zij hadden meer interesse in het blootleggen van `structuren' als muren en paalgaten. Kunsthistorici voelden zich evenmin geroepen zich te verdiepen in tinnen speldjes en hangers, zij hadden meer oog voor kunstuitingen in zilver en andere edelmetalen.

Zo niet Jos Koldeweij, hoogleraar kunstgeschiedenis van de Middeleeuwen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN). Tijdens zijn onderzoek voor zijn proefschrift was hij midden jaren tachtig wel gestuit op de verkoop van insignes bij de St. Servaas in Maastricht, maar hij had er nooit veel aandacht aan besteed, hij had er zelfs nog nooit een gezien.

Toen hoorde hij van een verzamelaar, die anderhalf St. Servaas-insigne in zijn bezit had. Die verzamelaar was H.J.E. van Beuningen, voormalig lid van de raad van bestuur van Pakhoed. Hij was verzamelaar van middeleeuwse gebruiksvoorwerpen, die hij na de dood van zijn eerste vrouw aan de gemeente Rotterdam en Museum Boijmans van Beuningen had geschonken. Verzamelen bleek echter in zijn bloed te zitten en al snel richtte hij zich op een nieuw onderwerp: het onontgonnen terrein van de laat-middeleeuwse insignes. Toen de twee met elkaar contact waren gekomen, bleek hun dat de insignes een zeer rijke bron kunnen vormen voor allerhande onderzoek, variërend van kunsthistorisch tot economisch en sociaal. De vondst bij Diemen van een pelgrimsampul van Thomas Becket, uit het laatste decennium van de twaalfde eeuw, toont bijvoorbeeld aan dat al vroeg na de heiligverklaring van Thomas in 1174 bedevaartstochten naar Canterbury werden gehouden. Het aantal varianten van een insigne zegt iets over de populariteit van een bedevaartsoord, vindplaats en herkomst van een insigne vertellen meer over de actieradius van de doorsnee pelgrim.

Massaproduct

Koldeweij's belangstelling werd gewekt in een periode dat het aantal gevonden insignes sterk toenam. Waren in 1976 welgeteld tweeëntwintig insignes in Zeeland bekend, tien jaar later lag het aantal boven de zevenhonderd, dankzij de metaaldetector. Als de hoogleraar het huidige aantal in Nederland gevonden insignes zou moeten schatten, komt hij op vijf- tot achtduizend. In heel Europa zijn er naar zijn ruwe schatting tien- tot vijftienduizend bekende insignes. De vele vondsten van de laatste jaren maken duidelijk dat het goedkope tinnen insigne al vanaf de dertiende, veertiende eeuw een massaproduct was.

In Heilig en Profaan (1993) staan duizend insignes afgebeeld. Een `postzegelcatalogus' noemt Koldeweij gekscherend het boek dat hij samen met Van Beuningen aan diens almaar uitdijende collectie heeft gewijd. Voor volgend jaar staat deel twee op stapel, waarin ook aandacht wordt besteed aan insignes uit andere collecties, zoals die in het Museum Catherijneconvent. Ze komen ook allemaal terecht in de database die in Nijmegen wordt aangelegd. Na jaren pleiten is het Koldeweij vorig jaar gelukt geld van NWO en de KUN te krijgen voor structureel onderzoek en twee OIO's aan het werk te zetten. De opzet van de database is een belangrijk begin. Koldeweij kent evenals Van Beuningen vrijwel alle in Nederland gevonden insignes uit zijn hoofd.

De kerken van de bedevaartsoorden letten wel scherp op welke beeltenis op het insigne kwam. Het moest iets karakteristieks en herkenbaars zijn. Neem de insignes van de St. Servaas, die grofweg in twee groepen zijn te verdelen: 1) met een staande St. Servatius met draak, kromstaf en sleutel, en 2) met het torso van de heilige. De eerste groep, die uit de veertiende eeuw stamt, is gemaakt naar het meest vereerde, levensgrote beeld van St. Servaas, dat vanaf 1300 boven zijn graf stond. De tweede groep, die na 1400 is te dateren, is gemaakt naar het voorbeeld van een kostbaar borstbeeld, dat aan het begin van de vijftiende eeuw werd gemaakt om de schedel van de heilige in te bewaren.

Koldeweij wil onderzoeken in hoeverre de afbeeldingen op de insignes, die verspreid over Europa raakten, later elders als voorbeeld hebben gediend voor kunstuitingen als schilderijen en fresco's. Het valt hem bijvoorbeeld op dat de manier waarop de Annunciatie in de christelijke wereld werd uitgebeeld sterk overeenkomt met de vermoedelijk uit Nazareth afkomstige voorstelling, die ook te zien is op insignes die op Walcheren en in Amsterdam, Middelburg, Londen, Parijs, Visby en Tyrus zijn gevonden.

Soms is de afbeelding op het insigne en daarmee het bedevaartsoord niet meteen te identificeren. In die gevallen, is Koldeweijs ervaring, helpt het om te bedenken wat karakteristiek voor een bedevaartsoord zou kunnen zijn. Zo heeft hij de insignes van de St. Jan in Den Bosch kunnen identificeren. Sinds de veertiende eeuw bestaat in deze kerk de Mariadevotie. Een houten beeld van Maria met kind verrichtte wonderen door zieken te genezen en zeelieden in nood te redden. Als dank ontving ze vele ex voto's, variërend van krukken van was tot een schip van `10 loed zilver'. Dat schip kwam voor op de insignes, evenals Maria met kind. Toen was het niet moeilijk meer om Johannes met de gifbeker te herkennen en de bosboom, die in het wapen van Den Bosch staat.

Na de identificatie kon Koldeweij het insigne gebruiken voor een nieuwe ontdekking. Aan de bovenkant van het insigne is een kerk met drie torens afgebeeld. Dat kan volgens hem maar één ding betekenen: de St. Jan heeft in een vroegere fase twee torens meer gehad dan nu. Graven kan zekerheid geven, maar zonder directe aanleiding zoals een restauratie zit dat er voorlopig niet in. De St. Jan-insignes zijn onder meer in Nieuwlande, Rotterdam en Dordrecht gevonden.

Het is een punt van discussie of ieder gevonden insigne een voltooide pelgrimstocht vertegenwoordigt. Koldeweij denkt van niet. Volgens hem nam een pelgrim soms insignes als reliek mee voor vrienden en bekenden. Uit de bronnen is bekend dat een bisdom soms aan kloosters en kerken toestemming voor processies gaf en dat dan als een soort merchandising avant la lettre devotionalia verkocht werden. Dat kunnen heel goed insignes zijn geweest, meent Koldeweij.

Copulerend paar

Hij borduurt nog even voort: ook rondtrekkende toneelgezelschappen, poppenkastspelers en troubadours zouden insignes aan de man gebracht kunnen hebben. En die zouden kunnen lijken op de twee die in Dordrecht en Nieuwlande zijn gevonden. Afgebeeld zijn een copulerend paar, een hond en een man die achter een boom toekijkt. Koldeweij wist eerst niet wat hij er mee aan moest tot iemand bij een lezing opstond en hem zei: ``Kent u dat verhaal dan niet? Dat is de Borchgravinne van Vergi.'' In deze liefdesgeschiedenis plegen een gehuwde gravin en een ridder elkaar heimelijk in de tuin van de gravin te ontmoeten. Ten teken dat de kust veilig is laat de gravin haar schoothondje vrij rondlopen. De hertog verdenkt zijn vrouw van overspel. Om het tegendeel te bewijzen laat de ridder de hertog toekijken bij een van zijn ontmoetingen met de gravin. Het verhaal loopt dramatisch af met de dood van de twee geliefden. Wijst dit op laat-veertiende eeuwse scabreuze opvoeringen, al dan niet met poppen, van het oorspronkelijk hoofse verhaal? Koldeweij screent in ieder geval andere oud-Nederlandse verhalen op sleutelscènes, die mogelijk ook op insignes zijn afgebeeld.

W.P. Gerritsen, hoogleraar middeleeuwse literatuur aan de Universiteit Utrecht, acht dit wel mogelijk, maar ziet verder weinig in Koldeweijs theorie. Hij vindt omzettingen naar vormen van toneel een veel te moderne gedachte. Wie loopt er nu met zo'n insigne rond? Gerritsen denkt eerder aan een broche die iemand aan zijn geliefde gaf. ``Vanwege het opschrift amours – een modewoord uit die tijd.'' Koldeweij en Gerritsen zijn het er wel over eens dat de insignes onvermoede inzichten geven in de cultuur van de lagere sociale klassen in de Middeleeuwen.

De `Borchgravinne' staat niet op zichzelf, zij behoort tot een bijna even grote categorie insignes die geen heiligen uitbeelden en daarom voor het gemak profane insignes worden genoemd. De afbeeldingen variëren van schoentjes en pijlen tot vliegende fallussen en vagina's op stelten. Erotisch, zouden wij nu zeggen. Maar Koldeweij denkt dat deze afbeeldingen in de Middeleeuwen helemaal niet als zodanig werden beschouwd. Ze passen in dezelfde traditie als de fallussen van saters op Griekse vazen of de peniskokers van Papoea's. Het gaat om indruk maken, kwaad afweren en vruchtbaarheid brengen.