Stressoren bij de politie

Op de kop af 25 jaar geleden schreef Herbert Freudenberger een artikel over emotionele uitputtingsverschijnselen bij een groep vrijwillige hulpverleners in de hulpverlening aan drugsverslaving. `Staff burnout' noemde hij het verschijnsel, dat als `burnout' inmiddels tot het alledaagse taalgebruik is gaan horen, precies zoals dat alweer meer dan 40 jaar ook met een begrip als `stress' het geval is. De wetenschap heeft het met beide begrippen nog steeds moeilijk, maar in de dagelijkse omgang worden ze zo vanzelfsprekend gebruikt, dat we ze niet meer als metaforen voor moeilijk te bevatten processen beschouwen, maar als beschrijvingen van een toestand, die we ons allemaal zonder moeite kunnen voorstellen. `Hij is wel erg gestresst bezig' en `ik zie bij jou toch de eerste verschijnselen van burnout' zijn uitspraken die ook voetbaltrainers kunnen zeggen zonder voor watje uitgemaakt te worden.

Stress en burnout liggen dicht bij elkaar. Zonder stress, langdurig, ernstig en niet op te heffen, geen burnout, dat is wel duidelijk, maar van een burnout spreekt men meestal toch pas als het gaat om een min of meer blijvende toestand van emotionele uitputting, depersonalisatie en verminderde persoonlijke bekwaamheid bij mensen die beroepsmatig veel en intensief met andere mensen werken. Dat laatste is essentieel, omdat burnout juist ook tot uitdrukking komt in een veranderende manier van omgang met anderen. Het is dan ook niet vreemd dat burnout een begrip werd toen werk steeds meer een dienstverlenend en persoonlijk karakter ging krijgen.

Burnout is typisch een beroepsziekte van leraren, verpleegkundigen, artsen, maatschappelijk werkers en ook agenten. Het gaat om werk dat meestal als leuk en motiverend wordt omschreven omdat het `werken met mensen' en vooral ook `iets doen voor andere mensen' inhoudt. Aan die motivatie kan een eind komen, terwijl het werk wel door moet gaan. Wat we dan zien, zijn vaak duidelijke tekenen van burnout: afstandelijkheid en onverschillig heid, cynisme en dedain, gevoelens van leegheid en vermoeidheid, twijfel over eigen kunnen en de zin van het werk.

Nicolien Kop heeft haar promotie-onderzoek gewijd aan het voorkomen van burnout bij een groep die op dat punt nog weinig onderzocht is en er tegelijkertijd zeker niet ongevoelig voor is: politieagenten. Ze is op een aardige en in psychologisch onderzoek ongebruikelijke manier te werk gegaan. Met enkele collega's heeft ze in totaal zo'n 120 dagen meegedraaid met de autosurveillancediensten van de politie. Meer dan 150 agenten werden systematisch geobserveerd in hun interacties met burgers en gevolgd bij een kleine 800 meldingen. Het accent in het onderzoek lag op de wijze waarop agenten in de praktijk met kleine en grote conflictsituaties omgingen. Zoveel mogelijk werd de wijze van conflicthantering van een agent afgezet tegen het patroon van de antwoorden die diezelfde agent had gegeven op een uitvoerige lijst met vragen naar stress op het werk, burnoutverschijnsel, tevredenheid met het werk, houding tegenover burgers en visie op de toepassing van geweld.

De combinatie van zeer zorgvuldig en zeer gestructureerd uitgevoerd kwalitatief onderzoek (de praktijk van de surveillance) en uitvoerig en in hoge mate gestandaardiseerd kwantitatief onderzoek (de vragenlijsten) op individueel niveau – en dat dan weer in een behoorlijk groot aantal gevallen – ben ik op die manier nog niet eerder tegengekomen. Het is echt heel knap wat hier gedaan is en het kan niet anders of de opzet en uitwerking van dit zowel ragfijne als omvangrijke en gecompliceerde onderzoeksdesign moeten het grootste deel hebben opgeslokt van de vijf jaar die dit project aan tijd gekost heeft.

Komt er nu ook nog wat uit? En heeft de politie daar ook zelf nog wat aan? Dat laatste lijkt me zeker het geval, want wat in ieder geval blijkt is dat als politieagenten iets als een stressor beschouwen, dat wel de organisatie van de politie zelf is. Nu werd het onderzoek gedaan in de jaren dat de politie overal in Nederland in een moeizaam reorganisatieproces verwikkeld was, maar ruim een kwart van de geïnterviewde agenten vindt de leiding niet capabel en ook weinig geïnteresseerd in het dagelijkse werk.

Er is veel onzekerheid en onduidelijkheid, de organisatie wordt erg bureaucratisch gevonden en er is te veel administratieve rompslomp. Het `echte' politiewerk doet men in het algemeen wel met plezier, al zien veel agenten toch op tegen de confrontatie met doden en slachtoffers van misdrijven en ongelukken. Het letterlijk moeten aanpakken van vervelende en vieze mensen is ook geen pretje en de angst voor agressie en gevaar is zeker aanwezig. Een minderheid van de agenten klaagt ook over de geringe effectiviteit van het politieoptreden en de vaak negatieve houding van de burgers. Aan de andere kant vinden de agenten in meerderheid de omgang met het publiek ook weer juist wat het werk interessant maakt en is men ook tevreden met de veelzijdigheid van het werk, de afwisseling en de relatief grote mate van vrijheid (dat wil zeggen, buiten het bureau). Voor de meeste agenten houden de aardige dingen van het vak de balans met de negatieve zaken goed in evenwicht.

Het is dan ook niet zo vreemd dat de agenten, vergeleken met een `normgroep' van andere dienstverlenende beroepen, relatief weinig burnout-verschijnselen te zien geven, met name niet op het belangrijke punt van de emotionele uitputting. Ik vind wel dat Nicolien Kop daar de aantekening bij had moeten maken, dat haar steekproef geen mensen bevat die ziek thuis zitten of het beroep inmiddels verlaten hebben. De belangrijkste hypothese van het onderzoek is dat gevoelens van burnout hun invloed hebben op de wijze waarop agenten in de surveillancedienst omgaan met conflictsituaties (dat kan van alles zijn, verkeersovertredingen, burenruzies, criminele handelingen, verstoringen van de openbare orde).

Voor de niet-politieman is het aardig om te zien hoe hier het vaak op de televisie te ziene gedrag van politieagenten bewust aangeleerd gedrag is: de agent treedt in principe enigszins dominant en overwegend vriendelijk op. Al naar gelang de situatie kan hij zich meer of minder dominant (onderdanigheid is uiteraard geen optie die ooit uit vrije wil gekozen zal worden) opstellen en er eventueel voor kiezen niet langer meer vriendelijk te zijn. Er blijkt wel een zeker verband te zijn tussen de dimensies van burnout en de keuze voor bepaalde conflictoplossende strategieën, maar heel sterk zijn die verbanden toch niet (wat natuurlijk ook wordt veroorzaakt door de beperkte mate van burnout onder agenten).

Een zekere mate van depersonalisatie (afstandelijkheid, cynisme, dedain) komt bij agenten wel nogal eens voor, ten dele los van burnoutverschijnselen als een vorm van zelfbescherming tegen de narigheid waarmee men natuurlijk nogal eens geconfronteerd wordt. Niettemin blijkt uit het onderzoek dat depersonalisatie soms toch tot minder zorgvuldig gedrag leidt en bijvoorbeeld eerder verleidt tot het gebruik van het wapen. Onder dit onderzoek ligt nog iets verborgen, waar alleen een enkele keer zijdelings naar wordt verwezen. Politieagenten zijn getraind in het omgaan met conflictsituaties, in het beperken van escalaties van conflicten en in het voorzichtig zijn met het zelf spelen van een rol daarin. Die trainingen zijn voor een belangrijk deel ook weer gebaseerd op de uitkomsten van psychologisch onderzoek. Met andere woorden, iedere keer dat u in `Blik op de weg' een motoragent gezellig gehurkt in de opening van het rechtervoorportier van een verkeersovertreder geduldig ziet luisteren naar diens smoesjes, kijkt u naar een door een psycholoog ontworpen kunstwerkje.

Waar ik nieuwsgierig naar zou zijn, is naar de mate waarin de training bijdraagt aan het voorkomen van burnout bij politie-agenten: is de training adequaat, maakt de training hen ook in hun eigen ogen sociaal vaardiger? Nicolien Kop lijkt impliciet wel in die richting te denken op het moment dat ze op basis van haar onderzoek aanbevelingen doet. Helaas heeft ze daar niet meer dan een bladzijde voor over.

nicolien kop: blauw licht in het donker. burnout van en conflictbehandeling door politieagenten. 133 blz. universiteit utrecht,

15 oktober 1999. promotores: prof.dr. w.b. schaufeli,

prof.dr. e. van de vliert.