Sluis 5

Het staat er nog, het kerkje aan het kanaal, verscholen achter hoge bomen. Maar de statige pastorie heeft plaats moeten maken voor een moderne bungalow, en vanuit de kleedkamer achter de sacristie kijk je niet langer uit over de akkers maar tegen een muur.

Onlangs was ik met Klaas Vos voor een VPRO-radioreportage in mijn geboortestreek. Er was veel dat ik hem niet kon laten zien. Veel gebouwen en huizen zijn afgebroken. Mijn katholieke lagere school en de openbare lagere school aan de Geerdijk, de gereformeerde kerk en de brugwachterswoning in het centrum, allemaal weg. En de sluis in het Zwolse Kanaal is gedempt. Hier stroomde vroeger het water van de hoge kant voor de sluis in een betonnen bak, een soort kolk, om van daaruit door `de beek' rond de sluis geleid te worden om via een tunneltje onder de weg door uit te monden in het kanaal. Hier zwommen we vaak 's zomers. Arnold Haverkort, een vriendje van me, ging ook vaak mee. Hij kon niet zwemmen maar deed wel mee met het opduiken van zware bakstenen. Het water was ongeveer twee meter diep. Arnold dook van de kant, zette zich af op de bodem, kwam met steen en al boven, nam een hap lucht, en verdween weer onder water. Hij had zo'n vijf, zes van deze `sprongen' nodig om weer aan de kant te komen.

Als klein jongetje was ik jaren daarvoor vaak aan vaders hand over de smalle plank boven de sluisdeuren gelopen op weg naar de boerderij van mijn opa en oma even verderop. Vader had dan eerst zijn fiets overgedragen en kwam dan terug om mij te halen. Aan één kant zat een railing waar je je aan vast kon houden.

Na een aantal van deze oversteken meende ik te begrijpen hoe de sluis werkte. Van de hoge kant zou een schip de sluis invaren, de sluisdeuren zouden achter het schip dichtgaan en dan zouden de deuren aan de andere kant in één keer worden opengegooid zodat het schip zich met watermassa en al uit de sluis zou storten, richting Zwolle.

Groot was mijn teleurstelling toen ik voor het eerst een schip de sluis in zag varen en men het water langzaam liet zakken alvorens de deuren weer te openen. Het grotemensenleven was toch minder spectaculair dan ik had gedacht.

Mij tweede grote teleurstelling ondervond ik in diezelfde periode. We gingen op de fiets, ik bij vader achterop, naar een oom in Langeveen aan de Duitse grens. Ik had gehoord dat er in Duitsland hoge bergen waren. Ik had er plaatjes van gezien in de Katholieke Illustratie. Mijn verwachtingen waren hooggespannen.

Maar in plaats van steil oprijzende rotspartijen zag ik voorbij de slagboom over de zandweg dezelfde bossen en dezelfde roggevelden als aan deze kant. Alleen de ramen in het grote huis iets verderop waren kleiner dan bij ons. Dat was alles.