Oogdominantie

Er zijn er, vooral met een gymnasiale achtergrond, die menen dat de cultuur wordt gedragen door mooie leesboeken van het soort dat met `fictie' wordt aangeduid.

HBS'ers en andere echte jongens lezen liever non-fictie. Deze week bijvoorbeeld: `Pistoolschieten: grondbeginselen, houding en techniek' van J. Klein Essink (Meulenhoff, 1981). Een boek vol wetenswaardigheden en nuttige tips, de voordelen van de revolver ten opzichte van het pistool, hoe je moet staan, of het zin heeft de schiethand te ondersteunen. Ademhalingstechnieken. Voedingsadviezen.

Eén aardige test in het boek trok de aandacht: dat was het testje waarin de schutter in spe wordt uitgelegd hoe hij kan vaststellen wat zijn dominante oog is. Het blijkt dat bijna elk mens, onbewust, een voorkeur aanbrengt in het gebruik van zijn ogen: hij laat òf het beeld van het linker òf dat van het rechter oog domineren. Vooral voor de nabij-waarneming maakt het veel uit.

Hoe vind je je dominante oog? Zo: je gaat flink ver van de spiegel staan en maakt met duim en wijsvinger van de ene of de andere hand, dat maakt niet uit, een ootje of ringetje en kijkt door dat ootje naar het eigen gezicht. Het oog dat het ootje afdekt is het dominante oog – denk aan de spiegelbeeldige verwisseling. Eenvoud troef, dus. En het kan ook andersom: wie van een grote populatie omwonenden wil weten hoe daar de oogdominatie ligt vraagt de proefpersonen eenzelfde ootje te maken en door het ootje naar de onderzoeker te kijken. Per test is nog geen 15 seconden nodig.

Het was een hele sensatie te ontdekken dat er ook links- en rechtsogigheid bestaat. Ogenblikkelijk is onderzocht hoe de voorkeur in de directe omgeving lag, of de oogdominatie volkomen vast ligt en – natuurlijk – of er een relatie is tussen linksogigheid en linkshandigheid. Veel eenduidigs kwam er niet direct naar voren, het aantal linkshandigen is zó klein dat men niet gauw een representatieve steekproef van linkskijkers onder linkshandigen bij elkaar heeft. Wel lijkt het vast te staan dat volwassenen bij het knipogen bij voorkeur knippen met het niet-dominante oog. Af en toe was er het gevoel dat de oogdominatie 's avonds laat of 's ochtends heel vroeg anders was dan overdag.

In het buitenland, in de VS in de eerste plaats, is de belangstelling voor oogdominantie overweldigend. Een zoekmachine als AltaVista geeft met `eye' en `dominant' bijna 30.000 vermeldingen (`How knowing your dominant eye can improve your life'). Er zijn ook dominante oren. Zakelijker informatie vindt men via de Amerikaanse databank Pubmed (Medline) die samenvattingen geeft van artikelen uit bijna vierduizend biomedische tijdschriften. Het blijkt dat de oogdominantie al op zeer jeugdige leeftijd vastligt en vaak heel stabiel is. Van 807 onderzochte Franse drie- tot zesjarigen was 40 procent links dominant (Behavior genetics, mei 1998). Tweederde daarvan bezat twee jaar later nog steeds dezelfde dominantie: verschuiving van dominantie, dominance shift, is zeldzaam. Hoe hoger de leeftijd, hoe stabieler de eigenschap.

Onderzoeker G. Dellatolas signaleert en passant nog een verband tussen linkshandigheid en linksogigheid maar de summary kwantificeert dat niet. De relatie tussen oog- en handvoorkeur blijkt vooral onderzocht voor golf- en baseballspelers en voor schutters van het soort dat een `rifle' gebruikt. Het bezit van de eigenschap `uncrossed dominance' (dat is rechtshandig èn rechtsogig tegelijk, of juist allebei links) leidt bij schutters tot de beste prestaties. Voor baseballspelers (waar 34 procent linker oogdominantie werd waargenomen) werd geen relatie tussen crossed of uncrossed dominantie en de prestaties vastgesteld.

Ongekruiste dominantie, ook wel `matched dominance' genoemd, blijkt volgens twee artikelen in 60 resp. 66 procent van de gevallen voor te komen. Gaan we ervan uit dat linkshandigheid as such in 9 tot 11 procent van de gevallen voorkomt, dan valt daaruit af te leiden dat oog- en handdominantie onafhankelijk van elkaar ontstaan. (Want bij 34 tot 40 procent linksogigheid en 9 tot 11 procent linkshandigheid verwacht je 58 tot 63 procent ongekruiste dominantie als de eigenschappen onafhankelijk zijn). Zonder de precieze feiten te kennen kun je al op voorhand sceptisch zijn over de uitspraak van Dellatolas.

Wat heeft de kleine man aan dit soort gegevens? Niet zoveel, maar toch wel wat. Hij zou kunnen besluiten niet voor scherpschutter in training te gaan als hij gekruist dominant is. En hij zou eens op de hand-oogcoördinatie van zijn tandarts kunnen letten. Verder begrijpt hij nu opeens dat een beschadiging aan het ene oog veel hinderlijker is dan een aan het ander. Automobilisten die met een eye patch op het dominante oog het verkeer in werden gestuurd, keerden daar beduidend minder vrolijk uit terug dan die met een lap op het minder belangrijke oog.

Met een boogje komen we zo bij het bed terecht, of liever gezegd: bij het lezen in bed. Er is het ruggelings lezen waarbij beide ogen worden gebruikt en er is het zijdelings lezen, waarbij één oog half in het kussen drukt (en daar steeds dieper donkergeadapteerd raakt) en het ander in zijn eentje het leeswerk doet. Na het vorenstaande zal het duidelijk zijn dat dat het dominante oog moet zijn. Tweederde van de zijdelingse lezers doet er daarom goed aan `over links' te lezen, en bed met entourage zó in te richten dat dat ook aangenaam is.

Of er in Nederland ook overwegend linksliggend gelezen wordt staat niet vast, maar er is een kleine aanwijzing voor. In 1980 publiceerde de inmiddels verdwenen Tiebosch Uitgeversmaatschappij een zogenoemde bedboekeditie van Dumas' `De zwarte tulp'. Het was een boek dat, om het heel kort te zeggen, alle linkerpagina's ondersteboven had afgedrukt. Je las eerst alle rechterpagina's, dan draaide je het om en las je alle linkerpagina's (die dan natuurlijk rechterpagina's waren geworden). Tiebosch had het ook andersom kunnen doen, maar zij koos voor een linkerzij-boek. Dat kan geen toeval zijn.