Landleven

Met kalme handen haalt hij boontjes af, een grote doos vol, gisteren geplukt. Netjes legt hij de puntjes op een hoopje in een benedenhoek van het houten dienblad, de afgehaalde boontjes in een bovenhoek.

Hij is de vader van elf kinderen en nu zit hij bij de keukendeur bij een van zijn dochters en ik zit in een rieten stoeltje tegenover hem, met koffie en kruidkoek, en luister naar zijn aandachtige stem die vertelt over de onzekere vanzelfsprekendheid van leven en dood.

Misschien zonder vragen te hoeven stellen is hij de rust zelve geworden.

Om hem heen jonge poesjes, tevreden geluidjes van een baby in de box, op tafel potten vol bloeiende bloemen, een gewirwar van bijen. Er is het uitzicht op een weiland met koeien, in de verte een rij bomen die een weg doen vermoeden.

Het is zo ver, die wereld van vroeger, toen het middageten naar sudderlapjes rook.