Hopeloos voorspelbaar

Je denkt: dit en dat gaan ze zeggen. En ze zèggen het. Politici en vakbondsleiders zijn soms zo hopeloos voorspelbaar, doordat ze nooit kunnen zeggen wat zij zelf als redelijke mensen vinden. Hun denkkaders worden nu eenmaal begrensd door partij- en bondsbelang.

Je denkt: ze gaan zeggen dat het voorstel van de Onderwijsraad om verplichte leerstandaarden te formuleren een aantasting is van de vrijheid van onderwijs. En ze zèggen het.

Maar ze weten natuurlijk best dat dat niet waar is. Die leerstandaarden betreffen taal en rekenen, en dat zijn levensbeschouwelijk gezien neutrale vakken. Ouders zijn ook niet vrij hun kinderen naar school te sturen of niet. Zij zijn verplicht hen te laten leren, want kinderen hebben recht op onderwijs. Ouders zijn wel vrij een school te kiezen die past bij hun levensovertuiging, ideologie of didactische voorkeuren en voor de vakinhoudelijke keuzen die dat meebrengt. Kinderen mogen naar believen leren dat Hollanders vuige kolonialisten zijn geweest, dat de Koran een goddelijke tekst is en dat natuurbehoud boven economische belangen gaat. Ze mogen naar keuze worden onderwezen in de Bergrede, de evolutietheorie en Indiase spreuken. Maar de formele vaardigheden lezen, schrijven en rekenen staan daar buiten. De enige vrijheid die ouders en school daar hebben is in de methoden die worden gebruikt. Er zullen ook niet veel ouders zijn die deze vakken onbelangrijk vinden. Indien bij uitzondering wel, dan moeten kinderen wat dit betreft tegen hen worden beschermd. Zoals bijvoorbeeld ook kinderen die van hun ouders niet mogen worden ingeënt tegen polio.

Je denkt: ze gaan zeggen dat de standaarden een verzwaring zijn van de taak van leraren. En ze zèggen het.

Maar ze weten natuurlijk dat het tegendeel waar is. Er wordt door leraren juist geklaagd dat de bestaande kerndoelen – waartoe de huidige overheidseisen zich beperken – te vaag zijn, te veel en te ver weg, want pas geldend voor het eind van de rit. Dat maakt het voor leraren moeilijk te weten wat leerlingen op welke tussentijdse momenten moeten kunnen en kennen.

De voorgestelde leerstandaarden maken voor wat betreft taal en rekenen van de globaal geformuleerde kerndoelen concrete opgaven. En wel op twee momenten gedurende de basisschool en één moment van de basisvorming. Momenten die een overgang markeren naar een volgende onderwijsfase. Ze doen voor leraren als het ware oplichten waar ze naartoe moeten werken om een basale toerusting te geven voor het volgende traject.

In eerste instantie gaat het daarbij om opgaven die zo eenvoudig zijn dat ze door negentig procent van de leerlingen moeten kunnen worden gemaakt. Natuurlijk mag en moet men met veel meer kinderen ook veel meer bereiken. Maar de opgaven zijn zo gekozen dat ze in ieder geval een vloertje van kennis leggen dat minimaal nodig is om een volgend traject van het onderwijs te kunnen volgen en het uiteindelijk in ieder geval mogelijk maken naar de basisberoepsgerichte leerweg te gaan. Dat is weliswaar de laagste vorm van beroepsonderwijs, maar toch leidend naar de arbeidsmarkt.

Leerstandaarden zijn niet los te zien van het achterstandenbeleid. Dat heeft ondanks het vele erin geïnvesteerde geld niet opgeleverd wat werd gehoopt. In 1996 vroeg staatssecretaris Netelenbos de Commissie Indicatiestelling Onderwijsachterstanden of het mogelijk zou zijn elk vierjarig kind te testen en aan de hand daarvan te bepalen welke speciale begeleiding het eventueel nodig had. De commissie kwam met een negatief advies: een test op die leeftijd heeft weinig voorspellende waarde voor leersucces, daarvoor is de ontwikkeling te springerig. Het leek de commissie beter eerst maar eens voor zevenjarigen heel concrete, minimale tussendoelen te formuleren: dat en dat moet ook een achterstandskind in ieder geval tussen vier en zeven jaar leren. Men liet zich daarbij inspireren door Engels voorbeeld. Als zo'n fundament ontbreekt wreekt zich dat in het vervolg. Bij de modale leerling ontbreekt dat niet, bij de achterstandsleerling vaak wel.

Eén van de verklaringen die wel wordt gegeven voor het mislukken van het achterstandenbeleid is dat het te veel is gericht geweest op het wegwerken van verschillen tussen modale leerlingen en achterstandsleerlingen. Maar het probleem is wezenlijker: het is tot daar aan toe dat achterstandsleerlingen relatief minder weten dan modale leerlingen, maar velen van hen hebben al vroeg in hun schoolcarrière een absoluut gebrek aan cruciale taal- en rekenkennis, en dat is een barrière voor alles wat daarna zou moeten worden geleerd.

Leerstandaarden zijn tussendoelen. Ze kunnen ook op een andere manier achterstandsleerlingen helpen. Op scholen met veel van zulke leerlingen is de ambitie vaak relatief laag. Dat is geen boze opzet, maar een normaal verschijnsel dat zich in allerlei organisaties voordoet. Dat wil zeggen dat achterstandsleerlingen die het wellicht in zich hebben om meer te kunnen niet tot optimale ontwikkeling worden gebracht. Daarom zou er volgens de Onderwijsraad naast de 90-procent standaard ook een ,,voldoende standaard'' ontwikkeld moeten worden: opgaven voor taal en rekenen die door zeventig procent van de leerlingen moeten kunnen worden gemaakt. De verwachting is dat scholen dan zullen proberen eventueel aanwezige potentie bij achterstandsleerlingen te activeren.

De 90-procent standaard is een zogeheten resultaatsverplichting, de 70-procent standaard slechts een inspanningsverplichting, want scholen met veel achterstandsleerlingen zullen dit laatste niet kunnen halen. Maar ze moeten er wel naar streven en scholen met vergelijkbare leerlingpopulaties – in Engeland families of schools genoemd – kunnen elkaar daarbij tot voorbeeld zijn. Waarom lukt het de ene school wel om een bepaald percentage te halen en de andere niet?

Je denkt: ze zullen zeggen wie moet die tests afnemen? Maar dat zeggen ze niet. Men gaat er kennelijk vanuit dat de scholen dat zelf zouden moeten doen. Voor eind basisschool en -vorming kan dat ook, want kan groepsgewijs, schriftelijk en gecontroleerd zoals nu de Citotoets. Eind groep vier zijn de leerlingen daarvoor echter nog te jong. Dan zal het individueel moeten gebeuren. Het spreekt vanzelf dat de school dat niet zelf kan doen. Men zou allicht een te rooskleurig beeld naar buiten brengen. In Engeland nemen scholen elkaars leerlingen de tests af, maar dat is een heel georganiseer. Misschien een leerzame taak voor Pabo-studenten in hun laatste jaar?