Hollands Dagboek: Mirjam Rotenstreich

Mirjam Rotenstreich (39) is redacteur van Maatstaf, een van de oudste literaire tijdschriften die Nederland kent. Afgelopen week liet uitgever De Arbeiderspers weten de uitgave van het tijdschrift te beëindigen. Half december verschijnt het laatste nummer. Rotenstreich is getrouwd met Adri van der Heijden, ofwel A.F.Th. Ze hebben een zoon, Tonio, van elf.

Woensdag 6 oktober

Terwijl ik in onze bibliotheek in een bespreking zit, hoor ik de twee telefoons – een zakelijk en een privé – in mijn werkkamer afwisselend overgaan, waarna ook beide antwoordapparaten in actie komen. Het leidt me af, ik voel dat het de media zijn die proberen binnen te dringen. Ik weet het, het lijkt vreemd, maar als je er door de jaren heen zoveel mee te maken hebt gehad, leer je het bellen van journalisten onderscheiden van de andere bellers: het klinkt nadrukkelijker, opdringeriger misschien. Uiteindelijk excuseer ik me even. En inderdaad: Met het oog op morgen, Het Parool, NRC Handelsblad. Ze willen reacties op het besluit van De Arbeiderspers een punt achter Maatstaf te zetten. Het is fijn als je de gelegenheid krijgt enige nuancering aan te brengen in de vluchtige en daardoor vaak onnauwkeurige berichtgeving. Maar het heeft ook iets treurigs.

Je kan de prachtigste nummers maken, zoals bijvoorbeeld ons `Oerboek-nummer', waarin we oerteksten wisten te bemachtigen van schrijvers als (in alfabetische volgorde) Louis Paul Boon, Hugo Claus, A.F.Th. van der Heijden en Harry Mulisch – toch niet de geringsten – het wordt nauwelijks opgemerkt. Maar als de ondergang zich aandient, heeft men plotseling wel oog voor het tijdschrift.

Een troost is het in ieder geval dat deze kettingreactie van media-aandacht in gang is gezet door een journalist die oprecht verontwaardigd was toen hij de brief van Ronald Dietz onder ogen kreeg waarin hij de redactie de wacht aanzegt. Ik kreeg dinsdag tenminste een verbijsterde Onno Blom van Trouw aan de telefoon. Hij leek nog bozer dan ik. ,,Luister, Onno, natuurlijk ben ik ook teleurgesteld door het besluit van Dietz, maar mijn woede richt zich in de eerste plaats op de samenstelling van de tijdschriftencommissie van het Produktiefonds. Wat doet zo'n Eva Cossee als uitgever daarin, pure belangenverstrengeling (of `belangenverstrelling', zoals ik het woord ooit eens in een brief verhaspeld zag), en de schrijver Marcel Möring. Laat die mensen zich toch bij hun eigen vak houden!''

Door de talrijke telefoontjes en de – mede daardoor – uitgelopen bespreking kan er van koken geen sprake meer zijn. Ik haal Tonio op, die gelukkig bij een vriendje heeft gegeten, en fiets daarna langs de nieuwe Albert Heijn op het Museumplein (een bizar gezicht: de winkel staat vol emmers om het overtollige water van de grasmat op te vangen – stukken plafond hangen al verrot naar beneden en het licht is ten dele uitgevallen). Ons sobere avondeten, een gegrilde kip met frieten, wordt een godenmaal in combinatie met een heerlijke rode Italiaan die Adri ondertussen heeft opengetrokken.

Donderdag

Nadat alle avondkranten gisteren aandacht besteed hebben aan de opheffing van Maatstaf, staan de ochtendkranten er ook weer vol van. Opnieuw Trouw, die Wouter van Oorschot aan het woord laat. Hij waarschuwt voor het te gemakkelijk dichtdraaien van de subsidiekraan van tijdschriften, een beslissing die ook nog eens heel discutabel is. Inderdaad, wat moet je met de bewering van de commissie in haar beoordeling dat `de nummers 4 en 5 van Maatstaf niet meer dan bloemlezend `een bonte selectie uit de brievenbus bevat', zoals de redactie zelf meedeelt'. Pardon? Nummer 4 was een gedegen themanummer over dédain. Over dédain gesproken.

Bovendien citeert de commissie ons op zeer onzorgvuldige en tendentieuze wijze. De redactie spreekt namelijk over een `Een bonte, maar zorgvuldige selectie'. Heeft de commissie Maatstaf eigenlijk wel gelezen?

In dat licht bezien `begrijp' ik de opmerking in de Volkskrant van Reintje Gianotten, adjunct-directeur van het Produktiefonds: ,,Een tijdschrift dat je niet meer met genoegen kunt lezen, kan maar beter ophouden te bestaan.''

Het blad zou volgens de commissie bovendien ongeïnspireerd zijn vormgegeven. Ik wist het wel. Het Stedelijk Museum, waar Maatstaf is tentoongesteld als een van de vijftig best verzorgde boeken, heeft geen smaak. Fuchs, doe d'r iets aan!

Maar het leven bestaat niet uit Maatstaf alleen. 's Avonds ouderavond (Tonio zit in zijn laatste jaar van de basisschool), waar ik me, uit volle overtuiging, voor de ouderraad laat strikken.

Vrijdag

Zoals altijd door de week om half acht op. Adri: `Hé, er staat niks in de kranten over Maatstaf.' Hij slaat de spijker op z'n kop. Na zo'n reeks van berichten treedt er op een hele rare manier een soort gewenning op en ben je bijna verontwaardigd als er niets meer over het onderwerp gemeld wordt.

Adri verdwijnt naar boven, richting werkkamer, ik naar beneden. Eerst Tonio naar school brengen, met logeerspullen, aangezien ik vanmiddag Maatstafvergadering heb die tot ver in de avond zal duren en Adri een presentatie heeft bij De Bezige Bij van het nieuwe boek van Allard Schröder (waar ik dus helaas niet bij aanwezig kan zijn). Tonio heeft een klassenfeest vanavond. ,,Drink niet te veel en geen xtc'', zeg ik, terwijl ik de klas uitloop. ,,Mam, doe normaal.'' Hij zit in de prepuberale fase: afhangende schouders en al een redelijk ontwikkeld schaamtegevoel over zijn moeder.

's Middags bel ik Hella S. Haasse in verband met een boekenproject waar zij haar medewerking aan heeft toegezegd. Nog voor ik iets kan zeggen, barst ze los, hevig verontwaardigd over de opheffing van Maatstaf.

Je zou bijna vergeten dat er ook nog een nummer van Maatstaf in elkaar gezet moet worden. Op dus naar de vergadering. Bijna alle redactieleden zijn er: Ilja Leonard Pfeijffer, André Klukhuhn, Esther Jansma en Elik Lettinga. Alleen Janita Monna komt wat later. Eerst hebben we het uitgebreid over de verslaggeving in de pers. Het is ons opgevallen dat alle journalisten keurig vertellen wat er aan de hand is, maar dat nergens verontwaardiging opklinkt over het genomen besluit zo'n oud en gerespecteerd tijdschrift af te schaffen. Waarom niet de gevel overeind gelaten en daarachter iets nieuws gecreëerd? Daar waren we overigens, zeker nu Esther en Ilja erbij zijn gekomen, hard mee bezig.

Al snel gaan we over tot de orde van de dag: kopijbespreking: altijd een van de belangrijkste onderdelen van de vergaderingen. Het is de laatste gewone kopijbespreking: de thema-bijdragen waar schrijvers speciaal voor aangeschreven zijn en de verhalen en gedichten die ons ongevraagd via de brievenbus bereikt hebben. Opvallend is dat niemand van ons echt somber is, of een houding aanneemt van: dit was het nou. En dat is eigenlijk ook niet zo, want we gaan een groot Maatstaf-boek maken, waarin zowel het verleden uitgebreid aan bod zal komen met bijdragen van auteurs die ooit in Maatstaf gedebuteerd hebben – en dat zijn er veel: Maarten 't Hart, Tessa de Loo, F.B. Hotz – maar waarin zeker ook voor de toekomst een belangrijke plek zal worden ingeruimd: het plaatsen van werk van aankomende debutanten. Voor minder doen we het niet. Als dat boek af is zijn we zeker een half jaar verder en we leven in de stellige overtuiging dat zich dan wel weer iets nieuws aandient. Maatstaf is misschien wel op te heffen, onze redactie trekt men niet zomaar uit elkaar.

We eten met z'n allen bij café Schiller op het Rembrandtplein, waar we ook – eens in de drie weken – vergaderen en zakken daarna af naar het Spui. In café De Zwart treffen we Allard met een deel van de mensen die op zijn presentatie aanwezig was. Met Adri en André beland ik nog even in een café in onze straat. En of het laat wordt: om drie uur in bed.

Zaterdag

Door gewenning, biologische klok, of om wat voor duistere reden dan ook, toch weer om half acht wakker. Laaghangende mist, dat is waar mijn hoofd zich deze dag in bevindt. Ik haal Tonio op bij zijn vriendje, om hem vervolgens weer af te zetten bij een ander vriendje dat 's ochtends al aan de telefoon hing met de vraag of Tonio bij hem wilde komen spelen en slapen.

Daarna even de stad in voor een cadeautje voor Adri die vrijdag jarig is. Ik vind iets heel moois.

's Avonds ga ik, met rosé en knabbeltjes, bij Josje (Kraamer) en Arie (Storm) langs. We zitten gezellig een hele avond te kletsen, terwijl hun kleine Lola (ja, genoemd naar Lolita van Nabokov) van één om ons heen loopt, klimt en brabbelt. Ik heb nog nooit een kind meegemaakt dat zo weinig slaap nodig heeft. Als ik thuis kom, staat Adri op het antwoordapparaat. Hij zit bij Welling en vraagt me bij thuiskomst even te bellen. Mijn lieve vriendin Lotje Vinken, die nu helaas in Australië woont, was altijd verbaasd over hoe vaak en hoelang Adri en ik elkaar bellen als we even niet bij elkaar zijn. Het is waar. Zelfs via de huistelefoon is een gesprek – van werkkamer tot werkkamer – van een half uur geen uitzondering. Om half één doodmoe naar bed.

Zondag

Een huis-, vuil- en rustdag.

Maandag

Om 9 uur bel ik naar De Arbeiderspers. De kopij van het laatste nummer moet persklaar gemaakt worden. We zijn door alle verwikkelingen van de afgelopen tijd al ruim over onze deadline heen. Ik wil met de hele stapel kopij, die ik in mijn bezit heb omdat ik het nummer `trek' zoals wij dat noemen (wie die term ooit heeft ingevoerd, ik zou het niet weten – hij was er plotseling), langs de uitgeverij gaan om het te bespreken met de redactie-secretaris, die pas enkele weken geleden is aangetreden. Tot mijn grote verbazing hoor ik dat ze deze gehele week niet aanwezig zal zijn. Wegens een verhuizing. ,,Maar dat was de twee voorafgaande weken ook al het geval'', zeg ik, enigszins geïrriteerd. Wat te doen? Bureauredacteur Katja Rotte, die ontzettend secuur en aardig is, heeft er geen tijd voor, wat ik heel goed begrijp. Volgens haar moeten we dan toch nog maar een week wachten. Maar ze zal de redactie-secretaris bij terugkeer tot spoed manen. Ik pruts toch nog even aan mijn eigen verhaal voor Maatstaf (dat eigenlijk geen verhaal meer is, maar een fragment; al schrijvende eiste het steeds meer van mij). Ik kan het niet laten.

's Avonds aan het `ten geleide' van Maatstaf gewerkt. Zo'n spannende titel – `AAAARGH' – schreeuwt om een spannende inleiding. Hoewel, het hele nummer staat al vol suspense-verhalen en -gedichten. Een beetje rustig begin kan dan eigenlijk geen kwaad.

Toch nog anderhalf uur Al Pacino meegepikt in Scent of a woman. Adri kijkt mee, wat bijzonder mag heten, aangezien hij eigenlijk geen geduld heeft voor films op tv. Maar hij heeft bijna het klokje rond (vanaf 8.30 uur 'sochtends) geconcentreerd zitten werken en geconcentreerd betekent in zijn geval extreem geconcentreerd. Hij voelt zich leeg, uitgewrongen en dan is een film, ook al is hij op tv, blijkbaar welkom.

In bed verder gelezen in Hannibal. Een deel speelt zich af in Florence. Bij de beschrijving van een pleintje aan de linkeroever van de Arno weet ik het meteen: dit is het pleintje vlakbij trattoria Da Nello, waar Adri en ik iedere avond gingen eten toen we in Florence waren en elkaar net een maand kenden. Deze winter twintig jaar geleden. Bistecca à la Fiorentina. Ik proef hem nog.

Dinsdag

Ik heb de dinsdag altijd een karakterloze dag gevonden. Dit was typisch zo'n dag die, terwijl je er nog middenin zit, onder je ogen `verschimt', zoals de schrijver Alfred Kossmann gezegd zou hebben, ware het niet dat hij die term exclusief voor mensen reserveerde. Echt zo'n rommeldag. Voor Maatstaf heb ik schrijvers die aan het laatste nummer hebben meegewerkt, gebeld om hun een korte, drieregelige bibliografie te vragen voor achter in het tijdschrift. Verder ben ik achter floppies aangegaan die nog ontbraken. Het zijn van die klusjes die je zó lang voor je uitschuift dat het bijna niet meer kan. En welke dag is er nu geschikter om ze uiteindelijk toch op te knappen? Juist, de dinsdag.

Woensdag, 13 oktober

Het gaat niet om vandaag, maar om een dag, enkele maanden geleden. Het was een themadag in De Balie, speciaal georganiseerd rondom het literaire tijdschrift. Bas Lubberhuizen, zelf uitgever van het mooie tijdschrift De Parelduiker, hield een toespraakje met daarin een steeds terugkerende zin: `Laten wij een tijdschriftje maken.' Daar ging het volgens hem allemaal om: het plezier in het maken van een tijdschriftje, daar doen mensen het om, dat is wat ze bindt. Ik kan het alleen maar hardgrondig met hem eens zijn. Het gaat niet om geld, het gaat niet om status, het is puur de drang om een tijdschrift te maken met een groepje verwante zielen. En dat zal ik, en met mij de gehele redactie, vreselijk missen.