Herfst

Een poosje geleden moest iemand die ik al lang ken, een oude kennis, voor familiezaken in Zijpe zijn, voor het eerst. Hij vroeg of ik wist hoe hij daar moest komen. Nee. Heel lang geleden was ik er eens geweest, op weg naar Anna Jacobapolder, omdat ik met de veerpont over het Mastgat wilde, om de sterke getijdenstroom te zien. Dat was natuurlijk allemaal veranderd. Als ik jou was, zei ik, zou ik op de kaart kijken. Er gaat wel een bus. De bestuurder weet waar je moet uitstappen, en voor de rest van het traject vraag je de weg aan iemand die je tegenkomt. Dat is dan, zei hij, iemand die daar ook de weg niet kent maar dat niet wil laten merken en me de andere kant op wijst. Hij voorzag nog meer moeilijkheden. Een week later kwam ik hem weer tegen. Had hij het adres gevonden? Ja, maar hoe. Hij had de 0900-9292 gebeld. Het meisje aan de andere kant van de lijn had precies willen weten waar hij moest zijn. Die vraag had zijn wantrouwen gewekt, maar hij had het haar toch verteld: Margrietlaan 42. Dan stapt u uit halte Anna van Saksenlaan, zei ze. Die loopt u in, tot de tweede laan links, dat is de Amalia van Solmslaan, dan weer de eerste rechts, dat is de Margrietlaan, en nummer 42 is ongeveer in het midden. Van de bushalte is het in normale wandeltred een minuut of twaalf. Woont u in Zijpe, vroeg hij. Nee, zei ze lachend, dat zie ik in mijn computer. Hij deed zoals ze gezegd had, hij ging in normale wandeltred, en: op de kop af twaalf minuten!

Zo kwam het dat ik me afvroeg of er nog steeds treinen naar Moskou gaan. Dit is de tijd van het jaar om de biezen te pakken. Zoals Nietzsche in zijn gedicht Mitleid hin und her heeft geschreven: `Gelijk de rook, die steeds naar kouder luchten streeft!' Om te beginnen belde ik het nummer van het openbaar vervoer, hoorde op een bandje een vrouwenstem die zei: deze informatie kost 75 cent per minuut. Wilt u dit, druk toets één, wilt u dat, druk toets twee, nog iets anders druk toets drie. Al onze medewerkers zijn in gesprek. Muziek, een melancholieke wals. Na anderhalve gulden muziek: al onze medewerkers zijn nog steeds in gesprek. Mijn gedachten dwaalden af. Een jaar of elf geleden nam ik de trein naar Amersfoort, stapte over op de Hoek van Holland-Moskou-express, een plaatstalen rijtuig, donkergroen met roestbobbels. We arriveerden in Brest. De hele trein moest op breed spoor, kabaal van staal op staal. Soldaten van het Rode Leger hielden ons scherp in het oog. Intussen luisterde ik naar het Get your kicks on Route 66 van de info. Na nog een gulden of vijf muziekgenot kwam er een meneer die alles wist. Zeker gingen er nog treinen naar Moskou, met slaapwagens. In Keulen overstappen en daarna direct. Voor plusminus zeshonderd gulden met bijkomende kosten had je een retourtje en om 09.12 uur bereikte je station Moskva Belorusskaja.

Vandaag tien jaar geleden. In Leipzig waren 150.000 mensen op de been. Twee dagen later trad Erich Honecker af. Dat was niet genoeg. Bij de volgende betoging verschenen er 300.000. Op alle mogelijke manieren probeerde het regime de massa's te bedaren en te paaien, maar het was al veel te laat. In de nacht van 9 op 10 november begon de sloop van de Muur. Daarna is alles anders geworden, sneller en radicaler dan we voor mogelijk hadden gehouden. Wilt u naar Zijpe, druk toets één, wilt u naar Moskou, druk toets twee. De trein is niet meer een bonkend en rammelend stuk oudroest, maar een Thalys waarin het getsjirp en het gekwinkeleer van de gsm klinkt terwijl de consultant zijn tien vingers over zijn laptop laat draven. Dat heeft ook zijn poëzie, merk ik nu ik deze zin overlees, en ik heb er niets tegen, maar het is anders.

Mijn theorie is dat iemand gevormd wordt door de wereld waarin hij tussen ongeveer zijn tiende en zijn twintigste opgroeit. Voor mij ligt deze wereld tussen 1937 en 1947. Ik kijk naar kinderen van een jaar of tien die groot worden in een wereld waar zich alles onder de toetsen bevindt of met de muis bereikbaar is, en ik kan me er geen voorstelling van maken hoe zij straks aan de wereld van het eerste decennium na de Koude Oorlog zullen denken.

Het zal omstreeks 1910 zijn geweest, want Nescio heeft De Uitvreter geschreven in 1911. De schilder Bavink gaat met de boot naar Zierikzee. Bij de boeg zit Japie. Dat hij af en toe wat zout water over zich heen krijgt deert hem niet. Wat zit hij daar te doen? `Te versterven.' Zo somber is het trouwens dan nog niet. Ze raken in gesprek. Dan blijkt dat Japie iedere boom, iedere telegraafpaal langs de spoorlijn kent. `Die man is goud waard', denkt Bavink. Dat was ook info.

Ik denk: ik moet een punt aan dit stukje draaien. Op dat ogenblik komt een collega met een zojuist ontvangen boek binnen. Het heet: Nederland wordt harder en leuker. Daar is alles mee gezegd.