Elementaire deeltjes

De relativerende opmerking van Nobelprijswinnaar Martinus Veltman dat het onderzoek van hem en zijn medelaureaat Gerard `t Hooft geen enkel maatschappelijk doel diende, heeft meer aandacht gekregen dan de inhoud van hun onderzoek. Van de `wiskundige fundering van de theorie van de elementaire deeltjes', waarmee de beide fysici deze week de hoofdprijs uit Stockholm in de wacht sleepten, kan buiten hun vakgebied niemand iets begrijpen. Dus hebben we het, om toch maar iets te kunnen zeggen, liever over afgeleide kwesties zoals de vraag of wetenschappelijk onderzoek per se nuttig moet zijn. Een onzinvraag, want iedereen snapt dat toegepast (`nuttig') onderzoek meestal vooraf wordt gegaan door fundamenteel onderzoek dat alleen maar uit nieuwsgierigheid en dorst naar kennis voortkomt.

Het mag geen bezwaar zijn dat je als leek de theorieën van wiskundigen – maar ook van fysici, astronomen, moleculair biologen enz. – onmogelijk kunt bevatten. Maar persoonlijk ervaar ik dat wel als bezwaar. Ik raak zelfs even in paniek als ik me weer eens realiseer dat er kennisgebieden bestaan waarvan ik niets weet en nooit iets zal kunnen begrijpen. De elementaire deeltjes boezemen mij een elementaire angst in.

Uit een recensie van Paul Scheffer, gisteren in deze krant, over het boek Sferen van de in opspraak geraakte Duitse filosoof Peter Sloterdijk maakte ik op dat een dergelijke paniek gelukkig helemaal niet particulier is, maar algemeen heerst en verband houdt met `het verval van de metafysische geborgenheid'. God was ondoorgrondelijk, maar Veltman en `t Hooft zijn dat ook, zonder nochtans in de plaats van God te komen.

Om de angst van de moderne mens te adstrueren, citeert Sloterdijk Pascal, die schreef: `Als ik besef hoe blind en ellendig de mens is, wanneer ik heel het zwijgende heelal aanschouw en zie hoe de mens zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten, (...) zonder in staat te zijn ook maar iets te weten, dan bevangt me een gevoel van ontzetting'. Volgens Sloterdijk voelt de moderne mens zich wegens dit niet-weten `dakloos' in een chaotische wereld en is hij om die reden zelfs bevangen door een `morele paniek'.

Uit de reacties van Veltman en `t Hooft op hun Nobelprijs blijkt dat zelfs de allerknapste bèta-geleerden niet vrij zijn van dergelijke angsten. Veltman begon niet voor niets onmiddellijk over de maatschappelijke irrelevantie van zijn onderzoek en `t Hooft bekende dat hij van jongs af aan gefascineerd was door de natuurwetten omdat die tenminste `eenvoudig' waren, `zonder poespas', terwijl hij de wetten van de samenleving `onbegrijpelijk' vond.

Toch is het voor een leek makkelijker om over de samenleving mee te praten dan over de moderne fysica. Niet dat ik pretendeer de `maatschappelijke wetten', zo die er al zijn, te doorgronden, maar het maatschappelijk debat staat voor ieders deelname open, en dat geldt niet voor de theorie van de elementaire deeltjes. De hoge vlucht van het denken van de ingewijde geleerden kunnen eenvoudige stervelingen niet volgen, maar wat wij wel kunnen, misschien zelfs moeten proberen, is nadenken over de mogelijke consequenties van welk onderzoek dan ook.

Eerlijk gezegd zou ik de krantenartikelen over de Nederlandse Nobelprijswinnaars niet eens zijn gaan lezen als het daarin niet voortdurend ging over `elementaire deeltjes'. Ik weet niets van wiskunde, noch van elementaire deeltjes, maar heb wel onlangs de roman Elementaire deeltjes gelezen. Daarin heeft de Franse schrijver Michel Houellebecq het overigens niet over de fysica, maar over de moleculaire biologie en de atomaire grondslagen van het leven: fundamenteel onderzoek is hier al toegepast onderzoek geworden.

Evenals Sloterdijk heeft Houellebecq een geweldige opschudding veroorzaakt door zich uit te laten over genetica en de paradijselijke vooruitzichten van een gekloonde mensheid. Houellebecq stelde de mogelijkheden van de biotechnologie aan de orde in een Brave New World-achtige roman, die tevens een forse, maar geestig vormgegeven kritiek op de utopieën van de jaren zestig inhoudt. Sloterdijk pleitte afgelopen zomer in zijn rede `Regels voor het mensenpark' voor het aanvaarden van de gentechnologie.

Gek genoeg veroorzaakt de `cultuurstrijd' die hierover in Frankrijk en Duitsland is losgebarsten bij ons nauwelijks enige opwinding. Ik vraag me af hoe dat komt. Houden we ons hier relatief afzijdig omdat het onderwerp (gentheorie) net zo specialistisch is als de theorie van de elementaire deeltjes? Houellebecq is in Franse literaire bladen voor fascist uitgemaakt, `de nieuwe Céline' genoemd en uit de redactie van het tijdschrift Perpendiculaire gesmeten. De Duitse pers, van de Süddeutsche Zeitung tot Der Spiegel en Die Zeit, heeft op haar beurt Sloterdijk bijkans gelyncht. Hij zou, zo maakte men op uit zijn `fascistische retoriek', Nietzscheaanse Übermenschen willen kweken en behept zijn met een nazistische rassenwaan.

Inmiddels is de strijd alweer een beetje geluwd en nam Die Zeit het deze week in een groot openingsartikel onder de kop `Der Kulturkampf' zelfs voor Sloterdijk op. Het blad signaleert terecht dat in Duitsland nu eenmaal elk intellectueel debat beladen blijft door de traumatische ervaring van de holocaust en dat er bovendien niet zozeer een inhoudelijke strijd is uitgevochten alswel een generatieconflict tussen filosofen-nieuwe-stijl en die van de Frankfurter Schule. Niet de biotechnologie, noch de ethische implicaties daarvan stonden tot nu toe centraal, maar relatieve bijzaken. Niettemin is het een belangrijk debat, ook al valt het maatschappelijk nut ervan misschien niet onmiddellijk in te schatten. Sloterdijk heeft volgens Die Zeit `gedachten gedacht die gedacht moeten worden, ook wanneer ze niet in daden mogen worden omgezet'. Hetzelfde geldt voor Houellebecq. Beide denkers beseffen dat de mogelijkheden van de gentechnologie en het probleem van de democratische controle daarover, het debat van het komende millennium zal beheersen.

Zo blijkt maar weer dat elk fundamenteel onderzoek, geboren uit zuivere nieuwsgierigheid, op een gegeven moment toegepast onderzoek wordt en de samenleving, die onbegrijpelijke samenleving, voor eerder ondenkbare keuzen stelt. Wij leken, we komen aan de beurt, of we willen of niet. Misschien is dat mijn paniek.