Een zevensprong zonder stoplichten

Episode 3: waarin Daan Schrijvers de eerste piketpaaltjes blijkt te plaatsen voor de pelgrimstocht der mensheid richting het nieuwe millennium, maar onderwijl lelijk verdwaalt in de ongezouten werkelijkheid.

Hier stond ik. Ik kon niet anders, mijn fiets was weg. In het nachtelijk duister begon ik mijn redding te zoeken richting een telefooncel die nog op kwartjes werkte. Gelukkig bracht het zachte schijnsel van het glansblad M&M, waarvan ik zo-even bij acclamatie van de Millennium Meesters blijkbaar hoofdredacteur was geworden, enig licht op mijn pad.

Gaandeweg realiseerde ik mij dat ik op een kruispunt stond, wat zeg ik, op een zevensprong in mijn leven, en zonder stoplichten bovendien. Grote goden, op mijn schouders rustte, zo was zonneklaar geworden tijdens het feestelijk samenzijn met mijn nieuwe vrienden, de taak om te beslissen over de koers van het fin de siècle, over de laatste stappen nog te gaan in ons tijdsgewricht.

Hier zou ik, in opdracht van het eminente gezelschap vaderlandse visionairs, de belastingaangifte doen van tweeduizend jaar pelgrimstocht der mensheid, de piketpaaltjes plaatsen van het pad dat onze beschaving over de drempel van het ongewisse zou moeten voeren. Ik was, in één woord gezegd, beroepen tot de glanspapieren rangen van het Nationaal Platform Millennium Celebratie.

Hola, wat was dat nu? Hier stond ik onbedoeld op een onbewaakte overweg, existentieel gesproken dan, en prompt werd ik meegesleurd door een voortrazende gedachtetrein zonder automatische trajectbewaking. Langs mijn geestesoog snelde de balans der beschaving op zoek naar een betere toekomst. Het leek alsof de bladzijden van een reusachtig zestienkoloms cultureel doorschrijfkasboek één voor één werden omgeslagen, terwijl ik trachtte door calculatie van het gewogen gemiddelde het rendement van ons tijdvak op te maken.

Uit mijn hoofd rekende ik: mijn grootmoeder had de oprichting van de HBS meegemaakt; ik die van SBS. Mijn tantes citeerden moeiteloos De Ideeën van Douwes Dekker; ik moest het doen met de make-up-tips van Daphne Deckers. Mijn aangetrouwde nichtjes verslonden de romans van Siegfried Emanuel van Praag, ik verloor mijn eetlust door elk Acht Uur-journaal met Marga van Praag. Mijn oudoom was missionaris in de Gordel van Smaragd; ik niet eens in de Grachtengordel. Voorheen bepleitte het Groninger dagblad de Volksvriend de verheffing van de minima, thans verkneukelt de Volkskrant zich nog slechts over Hare Maxima.

Niet eens zo lang geleden bloeide onze cultuur op het subsidiariteitsbeginsel, nu begint onze cultuur nimmer meer zonder subsidie. Onze tweede koning bedacht zijn Orde van de Nederlandse Leeuw voor vaderlanders met buitengewone bekwaamheid in wetenschappen en kunsten, vandaag geldt Paul de Leeuw als in orde. In mijn jeugd droomde ik weg bij de werken van Camus, nu onwaak ik ruw bij de stukjes van CaMu. Op school leerde je over Orwells Big Brother is watching you, heden zijn wij het zelf die Big Brother begluren. Mijn voorgeslacht werd bevrijd door de grondwet van Thorbecke, ik raak dagelijks verstrikt in de grapjes van de talloze Youp van 't Hekke. Mein Gott, dit leek per saldo helemaal geen pelgrimstocht der mensheid bergopwaarts, dit was een rollerskate-roetsjbaan rechtstreeks de IJ-tunnel in!

Daantje, Daantje, onderbrak ik mijn gehannes met de piketpaaltjes langs het pad onzer beschaving, je begon wel een beetje een oude zeur te worden. Bedenk liever dat je nu na zesentwintig jaar journalistieke pensioenopbouw op het punt staat toch nog met jeugdig elan en goed fatsoen de Eenentwintigste Eeuw te betreden!

Bek-af bereikte ik ten slotte in de uitgestrekte desolaatheid van het voorstedelijk inferno een telefooncel die werkte, en nog wel op kwartjes. Nog duizelig van de dollemansrit in mijn gedachtetrein kende ik maar één nummer dat ik op dit onzalig uur kon bellen. Allejezus, in gesprek! Wat te doen, Daan?

Omdat ik plotseling voelde dat er gedurende mijn hele reis iets zwaars had gedrukt op mijn schouders – iets dat ik deze jaartelling nog niet eerder had gevoeld – zeeg ik neer op het bankje naast de telefooncel. Huiverend stak ik de kraag op van mijn beduimelde regenjas, dat attribuut bij uitstek van de ware journalist pur sang, om mijzelf te beschermen tegen de snijdende wind van de Nieuwe Tijd. In de verte passeerde een meisje met zwavelstokjes – oh nee, het waren heroïnespuiten. Langzaam loken de luikjes van mijn oogleden. Ik gleed als vanzelf terug naar gelukkiger jaren. Vol weldadige warmte in mijn middenrif stapte ik de kamer binnen van de commissie die mij zou tentamineren inzake het examen `Journalistiek hors catégorie'. Ha fijn, mijn finest hour - terug naar de School voor de Goed Geschreven Stukken (Die Ook Nog Ergens Over Gaan).

`Je bent laat, Daan,' klonk het even bars als unisono uit de monden van de voltallige commissie. Blikskaters, ik herkende de gezichten maar al te goed: het waren de culturele godfathers! – ik had ze zojuist nog gezien op het feestje van de Millennium Meesters. De moed zonk mij in de schoenen, zeker toen ik merkte dat de Magistrale Meester-interviewer gebiologeerd naar mijn voeten staarde. `Heb je wel een zorgvuldig uitgezocht cadeautje bij je, Daan, bijvoorbeeld de beste Gigondas van het beste Château?' Even was hij stil. `En à propos, Daan — je hebt twee verschillende sokken aan. Geen best begin. Net als een Goed Interview is een Goed Tentamen een wedstrijd, Daan: zweten, knokken. Je hebt toch wel het door mij geschreven en ook verplicht gestelde vuistdikke leerboek gespeld?'

`Euhhhh', luidde mijn antwoord op de eerste tentamenvraag. Bedoelde hij soms Interviewen doe je zó of Interviewen tot op het bot of toch Het basisboek hoe interview ik mijzelf?

`Fout!' donderde de examencommissie, nog voordat ik mijn gedachten bij elkaar had geraapt. Grote goden, ongevraagd had het reusachtige zestienkoloms cultureel doorschrijfkasboek mij wederom ingehaald. Ooit bracht Cort van der Linden de kinderwetjes in het land, nu zat ik sprakeloos als een kind tegenover Meesterinterviewer Tónny van der Linden.

Juist op dat moment verscheurde een opgewekte stem mijn finest hour, nadat ik er nog net in geslaagd was vóór de volgende tentamenvraag wankelend van het beklaagdenbankje op te staan, mijn laatste kwartje te injecteren en het enige nummer dat ik uit mijn hoofd kende in te toetsen. `Met de Railroad Bar, goedenavond.'

`Boebie! Daan hier. Kom mij halen. Ik wil weg uit de ongezouten werkelijkheid.'

(Wordt vervolgd)