Een oorlog van alle Zuid-Afrikanen

Honderd jaar geleden brak in Zuid-Afrika de Boerenoorlog uit, een strijd tussen Boeren en Britten die twee jaar en acht maanden zou duren. Ze is de geschiedenis ingegaan als een white man's war. Sinds kort wordt ook de rol van zwarten in het conflict erkend.

Twee Elisa's uit de Boerenoorlog. De ene stierf in het concentratiekamp Nooitgedacht, de andere overleefde, en leeft nog steeds. Elisa Ngcane is 104 of 105 jaar oud, daar wil ze vanaf zijn, maar ,,de verschrikkingen van toen'' zijn in haar herinneringen geëtst. Als klein meisje van vijf of zes sloten de Britse imperiale troepen haar en haar moeder op in een kamp voor zwarte Zuid-Afrikanen.

Het oude besje is nu bewoner van een tehuis in het Vrijstaatse stadje Brandfort. Vanuit haar rolstoel, maar met een helder verstand, spreekt ze, lispelt beter gezegd, in haar eigen Xhosa-taal, afgezet met vlagen Afrikaans. Op haar wangen dansen kleine grijze kroeshaartjes op en neer als horlogeveertjes. ,,Grote mannen, blank en zwart, om ons heen begonnen te vechten, we waren doodsbang'', zegt ze. ,,We zagen veel mensen sterven.''

Het is zaterdag 9 oktober, de zwarte slachtoffers van de Boerenoorlog worden in Brandfort herdacht. Op deze dag heeft ze gewacht. Op haar oude dag beleeft Elisa Ngcane nog gerechtigheid.

President Thabo Mbeki, de zwarte leider van Zuid-Afrika èn de hertog van Kent, namens de Britse kroon, zetten vandaag de geschiedenis recht. Eindelijk erkenning dat het niet slechts een white man's war was, maar dat alle kleuren Zuid-Afrikanen er bij betrokken waren. Mbeki en de hertog komen naar Elisa toe, praten met haar en strijken over haar handen. Geluk glundert in twee oude ogen.

Driehonderd meter verder ligt het grafje van Elisa Monamoli. Ze was elf jaar toen ze op 18 augustus 1901 bezweek in het kamp, een van de vele duizenden zwarte kinderen die tijdens de Boerenoorlog omkwamen door honger, ziektes en ontberingen. Het kind was een van de weinigen die een grafsteen kreeg. ,,Iemand heeft Elisa liefgehad'', zei de Amerikaanse onderzoeker Stowell Kessler, een predikant met emeritaat die al jaren historische navorsingen in het gebied doet, tegen de lokale krant Die Volksblad. ,,In die akelige tijd van dood en lijden heeft iemand deze prachtige grafsteen uitgekerfd zodat ze niet zou worden vergeten. Elisa ligt hier al bijna een eeuw en heeft op deze dag gewacht.''

Brandfort, vijftig kilometer ten noorden van Bloemfontein, is heet deze middag. De Boerenbevolking van het stadje zit loom op veranda's, vrijwel niemand heeft de moeite genomen naar de oorlogsbegraafplaatsen te komen. Brandfort staat bekend als een bolwerk van de neonazistische Afrikaner Weerstandsbeweging (AWB) die niets moet hebben van zwarte genoegdoening. Op elektriciteitskastjes en muren staat hier en daar AWB gekalkt. Een lid van de rechtse club wil anoniem wel zijn zegje doen. ,,Wat hebben de swartmense dan in de oorlog gedaan'', roept hij woedend, ,,niets, helemaal niets, alleen maar meegelopen. En dit heet dan verzoening, met leugens zeker, naar de hel met de verzoening.'' Een roedel honden draait om zijn benen heen.

Pas een paar maanden geleden heeft men nabij Brandfort de graven ontdekt van zwarte slachtoffers uit de Boerenoorlog, maar de AWB ziet hierin machinaties van de regering. Voor de AWB is het een `groot skande' dat de zwarte bevolking op een lijn wordt geplaatst met hun voorvaderen. Koppig hebben de Afrikaners van Brandfort geweigerd aan de officiële festiviteiten in hun stad deel te nemen.

De iets verlichtere Afrikanergemeenschap van `Bloem' heeft de avond ervoor het begin van de oorlog herdacht met de opvoering van een toneelstuk, Tot die dood ons skei, over de laatste president van de Oranjevrijstaat, Theunis Steyn, voordat de Britten in 1902 het bestuur overnamen. De locatie is Onze Rust, de boerderij van Steyn, waar zijn familie in de vierde generatie nog altijd woont. Het is een heerlijke nacht onder een wolkenloze hemel, met alleen maar blanke aanwezigen, behalve in de keuken dan. Hier kan men de meest bittere verhalen horen, frustraties over de Boerenoorlog en over het nieuwe Zuid-Afrika. Nelson Mandela heet in dit gezelschap nog een ,,vuile terrorist''.

Concentratiekamp

De familie van Elisa Ngcane, een naam die wordt uitgesproken met een vette klik in de ngc-klank, werkte aan het eind van de vorige eeuw voor een blanke `baas' en werd met vele anderen het slachtoffer van de tactiek van de verschroeide aarde, uitgevoerd door de Britse generaal Horatio Herbert Kitchener. De Britten staken hoeves van Boeren in brand en vernielden gewassen en kralen in een poging de rag-tag guerrillastrijders van Paul Kruger op het platteland onder controle te brengen. Vrijwel alle mannen van de Boerenbevolking, jong en oud, sterk en zwak, waren onder de wapenen. Op de boerderijen troffen de Britse troepen alleen vrouwen, kinderen, zwarte knechten en hun families aan die in de woorden van Kitchener ,,de oorlog onnodig ophielden''. De veldheer bedacht daarom om hen te interneren in kampen en geniet als zodanig de twijfelachtige eer uitvinder te zijn van het concentratiekamp.

,,We hadden niets in het kamp'', herinnert Elisa zich, ,,sommige mensen hadden geen dak boven hun hoofd, heel vaak was er niet genoeg eten.'' Besmettelijke ziektes als dysenterie, mazelen en pokken eisten de meeste levens, vooral onder kinderen. Uiteindelijk zouden in de kampen, door de Britten keurig gescheiden naar ras, ruim 27.000 Boeren en 14.000 zwarten om het leven komen.

Hoewel de Britten de oorlog uiteindelijk wonnen bestond daarover in het Verenigd Koninkrijk nauwelijks voldoening. ,,Zelfs toen overheerste onder het meer ontwikkelde deel van de natie een vreselijk gevoel van schaamte. Het steunen van de Boeren werd ook onder Britten in het fin de siècle gezien als een van de grote progressieve aangelegenheden'', aldus de Britse historicus Jan Morris. De dichter Rudyard Kipling schreef na het einde van de oorlog: ,,Het rijk heeft een oneindig grote les geleerd.'' En het zinnebeeld van het Britse `keizerrijk', koningin Victoria, overleed midden in de oorlog, in 1901.

Met de politieke achtergronden van de Boerenoorlog hadden de zwarte stammen van Zuid-Afrika weinig te maken. Dàt was wel een blanke aangelegenheid: een strijd om grondgebied en rijkdom. De belangrijkste zwarte bevolkingsgroepen, de Zoeloes en de Xhosa's woonden aan het einde van de negentiende eeuw voor het merendeel in de kuststreken, honderden kilometers verwijderd van de Boeren, die in de jaren tussen 1830 en 1840 uit de Kaapprovincies in oostelijke en noordelijke richting landinwaarts waren getrokken. De Voortrekkers, nazaten van Hollanders, Vlamingen, Duitsers en Hugenoten, hadden de `pech' dat in de nieuwe regio's waar ze zich hadden gevestigd bodemschatten van een onvoorstelbare omvang werden aangetroffen.

De goudmijnen van Johannesburg en de diamanten van Kimberley hadden op de wereld hun weerga niet. Het Britse rijk, op dat moment nog het machtigste op aarde, was niet van plan die rijkdom ongemoeid te laten. Toen de vele Engelse gouddelvers in Johannesburg, door de Afrikaners `uitlanders' genoemd, door de regering van president Paul Kruger werden tegengewerkt, was het hommeles. Het Britse imperiale leger bouwde een grote troepenmacht op aan de grenzen met de Zuid-Afrikaansche Republiek (Transvaal) met het doel de Boeren een lesje te leren. Kruger stelde hierop een ultimatum: terugtrekking van de troepen en beëindiging van wat hij zag als inmenging in de aangelegenheden van Transvaal.

Dit was precies de situatie die Londen wenste: de Britse regering reageerde dus niet en het ultimatum verstreek op 11 oktober 1899 om 17.00 uur. Het eerste schot viel een dag later. En hoewel de Britten nooit hadden gedacht dat het zo lang (twee jaar en acht maanden) zou duren voor hun getrainde leger een ongeregeld zooitje boerenkinkels er onder kreeg, stond de afloop in feite van tevoren vast.

Verzoenen

Dat moge allemaal lang geleden zijn, vergeten is de Boerenoorlog allerminst. Voor de Boeren was het verlies en de aansluitende degradatie tot tweederangsburgers een generatieslang durend trauma. Revisionistische historici verklaren uit wat de Boeren als een grote vernedering zagen mede hun drang naar politieke macht, die uiteindelijk (in 1948) de apartheid opleverde. De huidige generatie Zuid-Afrikaanse politici, voor het grootste deel zwart, plaatst de Anglo-Boerenoorlog dezer dagen heel tactisch in een breder verband.

In de ogen van Baldwin Ngubane, Zuid-Afrika's minister van Kunst, Cultuur en Wetenschap, heeft de herdenking van de oorlog vooral verzoening ten doel. Vliegend boven de voormalige slagvelden van de voormalige Oranjevrijstaat, op weg naar Bloemfontein, zegt de minister: ,,We weten nu dat de oorlog iedereen in het land diep raakte, blank en zwart. Daarom is de vrede ook van alle Zuid-Afrikanen.''

Vandaar ook dat de minister niet langer van de Boerenoorlog wenst te spreken, de nieuwe officiële benaming luidt met een hele mond vol: Anglo-Boeren-Zuid-Afrikaanse oorlog. Ngubane heeft een panel van historici aangesteld dat de geschiedenisboeken opnieuw zal bekijken en zonodig herschrijven. (Het enige boek van naam dat ooit over zwarten in de Boerenoorlog verscheen, was een Britse publicatie van Peter Warwick in 1983).

Volgens de nu gangbare tellingen kwamen in de 66 concentratiekampen voor zwarten 14.000 mensen om het leven, maar aangezien de statistieken destijds verre van volledig waren, ligt het totale aantal waarschijnlijk dichter bij de 20.000. Zwarte Zuid-Afrikanen vochten ook actief mee, aan beide zijden. Vooral in de `dienstverlenende' sfeer werden vele zwarte mannen door Boeren en Britten ingezet als zogenoemde agterryers.

In Bloemfontein bezoekt minister Ngubane in wat nog altijd die Oorlogsmuseum van die Boererepublieke heet een nieuwe tentoonstelling waarin de `zwarte rol' in de Boerenoorlog wordt belicht. Tot een paar jaar geleden was het museum in feite een grote ode aan de `heldenrol' van de Boeren. Verrassend is dat daar wat minister Ngubane betreft weinig aan hoeft te veranderen. Sterker nog: de Boeren krijgen honderd jaar na het begin van de oorlog alsnog de erkenning, van zwarte zijde althans, dat ze het volste recht zich tegen de kaki's te verzetten.

De overwegend zwarte regering, met president Mbeki en Baldwin Ngubane voorop, stellen de twee Boerenrepublieken van Paul Kruger en Theunis Steyn in hun strijd tegen het Britse `imperialisme' achteraf volkomen in het gelijk. Mbeki, sprekend in de Boerentaal, het Afrikaans, roemt in Brandfort ,,die dapper Boere en Boerevroue''. Niet eerder werden de vroede vaderen van de Afrikaners op deze manier in het gelijk gesteld. Sprekend boven de graven van 75 zwarte burgers die het leven lieten in de oorlog, laat de president zich in bijna lyrische bewoordingen uit over de Boeren.

Het lijkt wel alsof de Boeren en de `Blacks' alsnog tot historische bondgenoten zijn verklaard in de strijd tegen de `Brits'. ,,We brengen hulde aan hen die de moed hadden een Goliath aan te vallen voor de verdediging van hun vrijheid'', zegt Mbeki. ,,De kracht die zij toonden behoort tot de erfenis van alle Zuid-Afrikanen, ongeacht ras en huidkleur.'' Na deze fraaie woorden draaft een grote groep zwarte schoolmeisjes op, afwisselend gekleed in `Boerenpakjes' met hoofdkapjes en Britse legeruniformen. Ze belichamen de drie partijen in een dansspektakel, waarbij het oude Afrikaner volkslied Die Stem ineens overgaat in supermoderne Zuid-Afrikaanse kwaito-muziek.

Onder de grote tent bij de begraafplaats heeft zich de intellectuele en politieke elite van Zuid-Afrika verzameld, mensen van alle kleuren. Onder hen Winkie Direko, premier van wat nu de provincie Vrijstaat heet, voorheen Oranjevrijstaat. Direko loopt met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis, van de Boerenoorlog, via de apartheid naar het heden. En opnieuw die grote verzoeningsgedachte: ,,Het bloed dat hier is gevloeid mag niet tevergeefs zijn, het moet ons duidelijke maken dat we één land, één volk zijn. Zuid-Afrika heeft nu een grondwet die ons ervan verzekert dat een persoon of een groep nooit meer over de anderen kan heersen'', zegt ze.

Buiten de omheining staat een grote schare toeschouwers de hoogwaardigheidsbekleders aan te gapen. Oude vrouwen draaien shagjes van krantenpapier en dagga (hasjiesj). Kleuters jengelen om een ijsje. Tegen het hek leunen drie vijftienjarige bakvissen Sipati, Lindiwe en Tandi. Ze genieten met volle teugen. Het stadsbestuur vervoerde hen gratis en nu krijgen ze ook nog de president te zien, gratis. Sipati weet niets van de Boerenoorlog af zegt ze of wat er vandaag op het programma staat. ,,O, het onderstrepen van de rol van zwarten in de oorlog? Daar ben ik voor, onze mensen hebben vast geleden.''

Alleen vragen de drie tieners zich af waar de `jonge Engelse prins' is, want ze zien alleen maar een koninklijke bonenstaak. In de Zuid-Afrikaanse media ging men ervan uit dat prins Edward, de 35-jarige zoon van koningin Elizabeth, de hertog van Kent was en niet zijn veel oudere achterneef Edward (64).

De vertegenwoordiger van de Britse kroon is in zijn toespraak opmerkelijk vredelievend en verzoenend. Zijn woorden komen bijna neer op excuses voor wat de soldaten van zijn verre verwanten, koningin Victoria en haar zoon koning Edward VII, aanrichtten in het verre Zuid-Afrika. ,,Nooit meer de terecht gekritiseerde tactiek van generaal Kitchener, nooit meer kampen, nooit meer oorlog'', aldus de hertog.

De Boerenoorlog, de Anglo-Boerenoorlog of de Zuid-Afrikaanse oorlog – wat voor benaming men ook moge gebruiken, is nu een gekoesterd deel van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis geworden. Zoals Stowell Kessler in Brandfort zei: ,,Op deze verlaten en primitieve begraafplaats ligt de toekomst van Zuid-Afrika, gebouwd op het leed dat onschuldigen, zwart en blank, moesten verduren, zij die als vliegen in die akelige oorlog stierven.''

We weten nu dat de oorlog iedereen in het land raakte, blank en zwart

Wat hebben de swartmense dan in de oorlog gedaan? Niets