Een ijsberg voor onzekere tijden

Een probleem bij veel architectuurtentoonstellingen is dat waar het om gaat - gebouwen - niet op de ware schaal valt te beleven. Hoe mooi ze soms ook zijn, foto's, tekeningen, maquettes en computeranimaties van gebouwen blijven toch surrogaten voor de real stuff. Het Architectuurinstituut probeert dit probleem op te lossen door af en toe een architect de grote zaal van Jo Coenens gebouw vol te laten bouwen. Zo maakte de Poolse Amerikaan Daniel Libeskind, vooral bekend door zijn bliksemvormige Joods Museum in Berlijn, twee jaar geleden een reusachtige `installatie' waar de bezoekers echt doorheen konden lopen. Nu wordt de grote zaal weer gevuld door een groot bouwsel, dit keer van de Amerikaan Thom Mayne, die sinds zeven jaar alleen aan het hoofd staat van het architectenbureau Morphosis uit Los Angeles.

Als het gaat om grote, aan het werk van één architect gewijde exposities, heeft het Architectuurinstituut een opmerkelijke voorkeur voor het deconstructivisme, de avant-garde van gisteren. Evenals Libeskind is Mayne een liefhebber van de stijl die tien jaar geleden opzien baarde, maar nu al gedateerd aan doet. Mayne's `installatie' heeft dan ook wel wat weg van die Libeskind: opnieuw dient de Grote Zaal als plek voor een orgie van schots en scheve vormen. Maar Mayne heeft er duidelijk meer werk van gemaakt dan de hyperventilerende kabbalist Libeskind. Volstond Libeskind met een herhaling van zijn bestaande ontwerp voor de uitbreiding van het Victoria and Albert Museum in Londen, Mayne heeft zijn installatie speciaal ontworpen voor de grote zaal van het architectuurinstituut.

Op de begane grond van het instituut heeft Mayne een deur naar de grote zaal laten aanbrengen, zodat de bezoekers niet de gebruikelijke tocht over de smalle hellingbanen naar beneden hoeven te maken om de grote zaal te betreden. Wie Mayne's deur door gaat, komt terecht in een soort ijsbergenlandschap, gemaakt van houten en met doek bespannen onregelmatige vlakken. Een deel van Mayne's installatie beweegt langzaam. Normaal gebeurt dit machinaal, maar op de dag dat ik er was, liet de machine het afweten, en moesten museummedewerkers het gevaarte handmatig laten bewegen om de bezoekers een indruk te geven van het effect van de installatie.

`Silent Collisions' heeft Mayne zijn tentoonstelling genoemd. Deze titel zegt uiteraard iets over Mayne's opvattingen. ,,Voor Morphosis moet de architectuur van elk gebouw specifiek ingaan op lokale, historische en culturele condities'', zo valt te lezen op het tekstbord dat de inleiding vormt op de tentoonstelling. ,,De `silent collisions', de `botsingen' tussen al deze verschillende condities, maken de complexiteit en de betekenis van de architectuur.''

Mayne's installatie moet dus worden gezien als een weloverwogen antwoord op de strenge rechthoekige zaal van Jo Coenen. Maar als de scheve vormen iets duidelijk maken, dan is het hoe weinig bovenstaande formulering van Morphosis' grondgedachte eigenlijk zegt. Mayne reageert op Coenens statische ruimte met een explosie van vormen, maar als hij de grote zaal had gevuld met onbeweeglijke rechthoekige vormen, had hij zich net zo goed gehouden aan zijn adagium dat `elk gebouw in moet gaan op lokale condities.'

In de benedenruimtes van Mayne's ijsberg is een presentatie te zien van het werk van Morphosis sinds Mayne dit bureau samen met Michael Rotondi in 1971 oprichtte. In interviews heeft Mayne beweerd dat hij in zijn echte gebouwen vaak slechts de helft van zijn intenties heeft kunnen realiseren - bouwen betekent nu eenmaal het sluiten van compromissen. Een expositie is voor Mayne dus het medium bij uitstek om zijn bedoelingen duidelijk te maken. Hij heeft aan de presentatie van zijn ontwerpen dan ook buitengewoon veel aandacht besteed. Veel van wat er nu hangt in het architectuurinstituut heeft kunstzinnige aspiraties. Zo zijn er vage, krassige organische tekeningetjes te zien en veel bruin-zwarte collages van foto's en ontwerptekeningen. De maquettes zijn soms vervaardigd van bruin geschilderd metaal, alsof ze oud en verroest zijn.

De vroege werken van Morphosis, voornamelijk verbouwingen van huizen in Los Angeles, verraden met hun eenvoudige, elementaire vormen de invloed van de Italiaanse neo-rationalist Aldo Rossi. Later duiken er in navolging van stadgenoot Frank Gehry steeds meer scheve en grillige vormen op in de ontwerpen voor huizen, afvalverwerkingsbedrijven, ziekenhuizen, scholen en bankgebouwen in Amerika, Europa en Azië. Het is duidelijk dat Mayne in de ban raakte van de gedachte dat de onzekerheid van het hedendaagse bestaan moet worden vertaald in een `onzekere' architectuur. ,,In alle projecten vinden we daarom tegenstrijdigheden, imperfecties, fragmentatie, twijfels en diversiteit vanuit de wil om de discontinuïteit van de wereld te tonen'', zo valt te lezen op de tentoonstelling.

Maar veel meer dan deze banale metafoor weet Thom Mayne met zijn tentoonstelling niet duidelijk te maken. `Silent Collisions' lijdt erg onder de misvatting dat een goede architect ook een goede tentoonstellingsmaker is. Zelfs als het gaat om tamelijk eenvoudige verbouwingen, heeft Mayne zijn ontwerpen zo hypercomplex weergegeven, dat ze zeker voor leken ondoorgrondelijk zijn. Ook de volgorde van de geëxposeerde werken is verwarrend. Een logica valt er niet in te ontdekken en de bordjes met toelichtingen bieden evenmin uitkomst. Onveranderlijk bestaan deze uit gortdroge formele beschrijvingen, gesteld in het dieventaaltje dat zoveel teksten over architectuur onleesbaar maakt. Zo is `Silent Collisions' een tentoonstelling geworden, die slechts tot de conclusie leidt dat Thom Mayne een hinderlijk consequente deconstructivist is: niet alleen maakt hij in deze onzekere tijden schots en scheve gebouwen, maar ook warrige, weerbarstige exposities.

Tentoonstelling: Silent Collisions. Morphosis at Work. T/m half januari in Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. Geopend: ma, di, wo en za 10-17u, vr 10-20u, zo 11-17u.