De dagen van Pataxó-indianen zijn geteld

Ooit was het een van de grootste stammen van Brazilië, nu zijn er nog 1.800 Pataxó-indianen over. Vorig jaar liet een politicus meer dan vijftig vrouwen steriliseren. Ze zitten de plantagehouders maar in de weg.

,,De Indios?'', vraagt de man en kijkt wantrouwend door het autoraampje naar binnen. Wat moet die buitenlandse in zijn afgelegen cacaobewerkers-stadje in het binnenland van Bahia? En vooral: wat moet ze bij los Indios, de indianen? Met een vaag gebaar wijst hij in de richting van de zandweg die naar het reservaat van de Pataxó-indianen leidt.

De tocht gaat langs cacaoplantages en nog eens plantages. Af een toe schittert op de top van een heuvel de witgekalkte fazenda van een van de grootgrondbezitters. Officieel behoort dit hele gebied toe aan de indianen van de Pataxó-ha-ha-hae-stam. Een rechter in de hoofstad heeft de grond – in totaal 56 duizend hectare – vijf jaar geleden opnieuw aan de indianen toegewezen. Tussen de cacaobomen is echter geen indiaan te bekennen.

`Verboden toegang', staat er aan het einde van de rit op een bordje. `Beheer van het Ministerie van Jusitie'. Eindelijk het indianendorp. Geen tevreden plaatje van schilderachtige hoofdmannen en bevallige Pocahonta's, maar een afgekloven heuveltop met een paar houten hutjes. Een modderpoel niet groter dan drie voetbalvelden, stevig omgordeld door een haag prikkeldraad. Is dat hoe de grootste indianenstam die de Portugezen bij de `ontdekking' van Brazilië tegenkwamen nu leeft?

Chief Gerson draait de palmen van zijn handen naar boven. ,,De landkwestie is het verhaal van ons volk'', zegt de casique, de leider van de Pataxó-indianen. Een vriendelijke man in een korte broek en een versleten T-shirt. Rustig zit hij op zijn bank, waar aan alle kanten de springveren uitsteken. Buiten de hut speelt zijn dochtertje met een katapult, terwijl zijn oude moeder hoofdknikkend in een schommelstoel zit.

Op zijn schoot heeft Gerson een map vol documenten en foto's. ,,Dit is de plek waar mijn neef in brand is gestoken'', wijst hij. Een foto van een zwartgeblakerde muur, ergens tussen de hoge flats van de hoofdstad Brasilia. Een bosje bloemen geeft de plek aan waar Galdino dos Santos (36) twee jaar geleden door een aantal mannen met benzine werd overgoten en in brand gestoken. `Vandalisme', noemde de rechter de lynchpartij. Een `kwajongensstreek' die niets te maken zou hebben met de landeisen van de Pataxó-indianen.

,,Toch vreemd'', zegt de casique. ,,Als je bedenkt dat ik met mijn neef Galdino net twee dagen daarvoor in Brasilia was aangekomen om met de regering over onze landeisen te praten.'' Rommelend tussen de vergeelde documenten recapituleert hij de geschiedenis van zijn volk.

Al in 1936, als er nieuwe Indianenwetten komen, krijgen de Pataxó het gebied rond Caramurú toegewezen. Maar nog geen vier jaar later, in 1940, wordt het gebied gekoloniseerd door de `heren van de cacao'. Machtige grootgrondbezitters maken van het gebied `het hart van de Braziliaanse cacao'. Gerson vraagt zijn moeder te vertellen wat dit voor de indianen betekende: ,,Wie niet hard weg kon lopen, ging dood van de kogels van de mannen met pistolen'' , zegt de oude vrouw. ,,De blanken verbrandden onze dorpen, en daarna moesten we zo leven dat niemand ons als indiaan herkende.''

Pas in de jaren zeventig komt er een einde aan de diaspora. Op initiatief van een buitenlandse antropologe wordt het dorp Caramarú gesticht. De Nationale Indianencommissie van de regering – de Funai – komt, legt er een paar rollen prikkeldraad omheen, en verklaart het tot `reservaat'.

Intussen schrijven lokale politici illegale landtitels voor de cacao-baronnen uit. Pistoleros in dienst van dezelfde landheren zorgen ervoor dat de indianen niet buiten hun prikkeldraadomheining komen. Daarom zijn de 1.600 dorpelingen tot op de dag van vandaag voor hun water, medicijnen en levensmiddelen totaal afhankelijk van wat de Funai hen brengt. ,,En dat is niet veel'', zegt Gerson.

Het is de Funai die voor elke Indiaan moet beslissen waar hij mag wonen, welke juridische stappen hij mag ondernemen en welke gezondheidsingrepen hij mag doen. Wettelijk hebben indianen in Brazilië geen eigen beslissingsbevoegdheid. ,,Wij als indianen hebben de status van minderjarige'', licht de casique toe. ,,Het is bedoeld om ons beschermen'', zegt Gerson. ,,Maar het probleem is dat ze ons niet beschermen.'' De hoofdman speelt met zijn verentooi. ,,Want ook de Funai heeft akkoorden met de heren van de cacao.''

Die middag stappen we de hut binnen van Jusa Iranaivá. Een jonge indianenvrouw met vijf kinderen. Ze is één van de 51 Pataxó-vrouwen die tijdens de laatste verkiezingscampagne werd gesteriliseerd door het parlementslid Roland Lavigne. Over haar buik loopt een rood lidteken van krakkemikkig aan elkaar genaaid vlees.

,,Het was de tijd van de politiek'', vertelt Jusa. ,,En de Funai bracht mensen van die Roland mee naar het dorp. Die mensen zeiden: wil je niet minder kinderen krijgen? Als je straks op dokter Roland stemt, dan helpt hij je gratis minder kinderen te krijgen, zeiden ze. En ik zei: ja, ik wil best minder kinderen.'' Op dat moment, vertelt Jusa, zag ze niet meer hoe ze haar gezin in leven moest houden. De levensmiddelen van de Funai waren al weken op. ,,Achter de rug van mijn man ben ik toen meegegaan naar de kliniek van die Roland'', vertelt Jusa. ,,Ik wist niet dat het voor altijd was.'' Jusa wrijft door haar ogen.

Van voorbehoedsmiddelen had ze nooit gehoord. Pil, condoom, spiraaltje. Het zijn begrippen waarvoor ze haar wenkbrauwen optrekt. ,,De Funai heeft het nooit over dat soort dingen gehad.'' Toch hielpen enkele ambtenaren van diezelfde Funai om de vrouwen per bus naar een van de privé-klinieken van Roland Lavigne te vervoeren voor een onomkeerbare sterelisatie. ,,Er waren daar heel veel vrouwen'', beschrijft Jusa de kliniek. ,,Ook veel blanke vrouwen.'' Het steriliseren ging aan de lopende band. In groepen van drie werden de vrouwen de operatiekamer van Lavigne binnengebracht, waarna ze met z'n tweeën op een bed moesten bijkomen.

De volgende dag werd Jusa alweer per hobbelende bus teruggebracht naar het reservaat. De vrouwen kregen geen pijnstillers, geen verdoving voor hun hechtingen. Wel kregen ze een kaart met de foto en het kiesnummer van Roland Lavigne in handen gedrukt. ,,Ik zal zijn kiesnummer nooit vergeten'', zegt Jusa. ,,Nummer 2125. Dat was wat we moesten stemmen.'' En stemde ze ook? ,,Ja'', zegt Jusa. ,,Zo was dat. Hij gaf de operatie, dus wij moesten stemmen.'' Maar nu zou ze het niet meer doen, zegt ze. ,,Door die dokter ben ik op mijn 28ste al als een grootmoeder.''

Die avond brengt de casique nog een bezoek aan het graf van zijn neef Galdino. Hij loopt langs een rij graven waarop wilde struiken groeien. ,,Net als Galdino is geen van hen een natuurlijke dood gestorven'', zegt Gerson. De casique wijst naar één van de graven. ,,Daar ligt het vorige stamhoofd.'' Vijf jaar geleden is hij door de pistoleros gepakt. Met hun messen hebben ze hem zoveel sneden toegebracht ,,dat hij uit elkaar is gevallen'', zegt Gerson.

Bij elk graf zijn er nieuwe verhalen. Mannen die de nagels zijn uitgetrokken. Ogen uitgestoken, oren afgesneden. Mannen die voor ze de genadekogel kregen door de pistoleros zijn gecastreerd. ,,Zodra we over land praten doen ze deze dingen'', zegt Gerson. Maar de laatste paar jaar was het rustig. ,,En nu zorgen ze opnieuw dat we met steeds minder zijn, door onze vrouwen te steriliseren. Zodat er straks niemand overblijft om hun land op te eisen.''