Bliksem in de kerk

`Op hetzelfde oogenblick wierd myne rechterhand zo geweldig geschokt, dat mijn geheele lichaam erdoor geraakt wierd als door een blixemslag.' Het was Petrus van Musschenbroek zelf die de twijfelachtige eer ten deel viel om als eerste het effect van een geladen Leidse Fles aan den lijve te ondervinden. Zoals een goede onderzoeker betaamt, maakte hij er direct melding van in zijn journaal. Mede daarom wordt hij sindsdien beschouwd als de uitvinder van deze eerste condensator, al kwam de ontdekking ook voor hem als een grote verrassing. In januari 1746 had hij zijn assistent opdracht gegeven om `elektrieke stof' op te lossen in een fles water. Daartoe werd een ijzeren staaf in de fles gezet en aangesloten op een elektriseermachine, een instrument om lading te genereren. Er leek niets te gebeuren, totdat Van Musschenbroek de staaf uit de fles wilde halen en hij de schrik van zijn leven kreeg. In een brief aan vrienden in Parijs schreef hij nog dat hij de proef voor geen goud zou willen herhalen, zelfs niet voor `de koningskroon van Frankrijk'.

De Leidse Fles mag natuurlijk niet ontbreken op de tentoonstelling `Hoogspanning'. De tentoonstelling wordt gehouden in museum Boerhaave in Leiden en gaat over het fenomeen elektriciteit. De oorspronkelijke versies van de fles mogen dan verloren zijn gegaan, er staan wel een paar meer geavanceerde exemplaren, waarvan de binnenkant en buitenkant zijn bekleed met metaalfolie. Ze ontstonden in een tijd dat overal in Europa het fenomeen van de (statische) elektriciteit was ontdekt. Het onderzoek naar elektrische verschijnselen was in gang gezet door een toevallige waarneming. Mensen die met een kwikbarometer door een donkere kamer liepen, zagen soms dat er boven in de buis een schijnsel zichtbaar was. Het was de Londense instrumentmaker Francis Hauksbee die besloot dat verder te onderzoeken en er achter kwam dat het effect ook optrad wanneer een lege glazen bol werd opgewreven met een doek. Al snel ontstonden speciaal ontworpen apparaten waarin de bol was vervangen door een glazen schijf, die kon worden rondgedraaid langs twee leren kussentjes. Met dergelijke elektriseermachines konden flinke bliksems worden getrokken. Al spoedig begonnen geleerden rond te trekken om voor een enthousiast publiek hun kunsten te vertonen: klokkenspelletjes gingen rinkelen, kanonnetjes werden afgevuurd en als klap op de vuurpijl viel aan het eind van de voorstelling een zogeheten `donderkerkje' ten prooi aan de inslaande bliksem. Al werd het noodlot wel een handje geholpen door in het bouwwerk op strategische plaatsen explosief en brandbaar materiaal te verstoppen.

Hoewel dat soort spectaculaire demonstraties natuurlijk niet `live' uitgevoerd kunnen worden, wordt er aan de hand van een ruime collectie instrumenten toch een heel aardig beeld gegeven van de beginjaren. Zo is er bijvoorbeeld een set Leidse flessen met een elektrometer, van de Engelse instrumentmaker John Cuthbertson. Bij gebrek aan eenheden is op de schaalverdeling het effect van de mate van oplading aangegeven: van `kleine dierkens dooden' tot `draat smelten'. Met reuzensprongen worden de belangrijkste ontwikkelingen geschetst, bijvoorbeeld gedurende de periode in de achttiende eeuw wanneer de samenhang tussen elektriciteit en magnetisme duidelijk wordt. Uiteindelijk leidt dat tot een algemene theorie van de Engelsman Michael Faraday, waarmee het onderzoek in feite wordt afgerond. Vanaf dat moment is het dan ook tijd om de nieuw verworven kennis in praktijk te brengen. Faraday zag wat dat betreft grote mogelijkheden. Toen de minister van Financiën eens bij hem informeerde naar het nut van diens onderzoek, moet hij geantwoord hebben: ``Er komt een dag, Sir, dat u er belasting over zult heffen.'' Hoewel de eerste generatoren en lampen al snel op het toneel verschenen, bleef grootschalige toepassing van elektriciteit uit totdat Edison de gloeilamp had uitgevonden. Tegenwoordig is (bijna) alles geëlektrificeerd: het huishouden, het vervoer, de communicatiemiddelen. Op elk van deze gebieden wordt de historische ontwikkeling getoond aan de hand van een aantal karakteristieke instrumenten en apparaten. Zo is er bijvoorbeeld een werkelijk prachtige telefooncentrale te bewonderen en een kolossaal audiomeubel.

Maar er is ook voldoende ruimte om zelf aan de slag te gaan. Zo kunnen bezoekers zelf met een kattevelletje aan de slag om staven van verschillende materialen op te laden. Ook worden een aantal `hoofdwetten van de elektriciteit' zoals de wet van Ohm met behulp van simpele schakelingen geïllustreerd, en wordt uitgelegd hoe een inbraakalarm werkt of hoe je een spanning kunt opwekken met behulp van een inductiespoel. Maar het mooiste zijn natuurlijk de proefjes waar de vonken van af springen. Bliksems blijven ook voor volwassenen een heel fascinerend, en tegelijk ontzagwekkend verschijnsel. Wie de inslagsporen op de tentoongestelde hand van een bliksemslachtoffer ziet, vraagt zich af hoe Benjamin Franklin het in zijn hoofd haalde om tijdens een onweer een vlieger op te laten. Wie daar niet door afgeschrikt wordt, kan zich aan het eind van deze mooi vormgegeven tentoonstelling, ook nog even meten met illustere voorgangers als Van Musschenbroek en Franklin. Eerst flink aan het wieltje draaien, en dan de hand op de metalen bol leggen. Wie durft?

Tentoonstelling: `Hoogspanning'. T/m 14 mei 2000 te zien in museum Boerhaave, Lange St. Agnietenstraat 10 in Leiden. Openingstijden: dinsdag t/m zaterdag van 10.00-17.00 uur, zon- en feestdagen van 12.00-17.00 uur. Informatie: 071-5214224.